Einde inhoudsopgave
Het beheerplan voor Natura 2000-gebieden (SteR nr. 17) 2014/4.5.1
4.5.1 De programmatische aanpak stikstof (PAS)
mr. drs. S.D.P. Kole, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. drs. S.D.P. Kole
- JCDI
JCDI:ADS449846:1
- Vakgebied(en)
Natuurbeschermingsrecht / Algemeen
Natuurbeschermingsrecht / Gebiedsbescherming
Natuurbeschermingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase onder het kopje ‘Knelpunten en kansenanalyse Natura 2000-gebieden’.
Kamerstukken II 2009-2010, 32127, nr. 3, p. 25, SOVON 2011, p. 17.
Op basis van recent wetenschappelijk onderzoek hebben de Vogelbescherming, Staatsbosbeheer en Natuurmonumenten geconcludeerd dat de kwalificerende vogelsoort Korhoen naar alle waarschijnlijkheid binnen een paar jaar uitsterft in het Natura 2000-gebied ‘Sallandse Heuvelrug’. Als gevolg van de te hoge concentratie stikstof is het aantal insecten op de heide de laatste jaren gehalveerd. Daardoor zijn de afgelopen jaren vrijwel alle korhoenkuikens binnen twee weken verhongerd. (Zie het artikel ‘Korhoen redt het niet op de hei’, Volkskrant, d.d. 8 november 2013).
Dit is bijvoorbeeld vastgesteld in het kader van speciaal onderzoek naar de effecten van stikstofdepositie op Brabantse vogelrichtlijngebieden. Zie Broekmeyer 2012, p. 7. Door de onderzoekers is vastgesteld dat lang niet alle biotopen en de daarin voorkomende vogelsoorten gevoelig zijn voor stikstof. In andere gevallen kan geen causaal verband worden aangetoond tussen de achteruitgang van bepaalde vogelsoorten en de te hoge stikstofdepositie. Dit volgt uit Broekmeyer e.a. 2012, p. 8 en 51-58.
Concept-aanwijzingsbesluit Natura 2000-gebied Nieuwkoopse plassen & De Haeck, p. 1 en de Knelpunten en kansenanalyse Natura 2000-gebied 103 − Nieuwkoopse Plassen & De Haeck (juni 2007), p. 3.
Vergelijkbare opmerkingen kunnen worden gemaakt ten aanzien van de bouw van woonwijken en de aanleg van (grote) infrastructurele werken.
Dit betreft § 2a.1 Regels met betrekking tot de vergunningplicht en de aanschrijvingsbevoegdheid (artt. 19kd-19kf Nbw 1998).
Zie bijvoorbeeld Frins 2013, p. 196-200.
Dit document is te raadplegen op www.pas.natura2000.nl onder het kopje documenten.
www.pas.natura2000.nl onder het kopje ‘Over de PAS’, onderdeel 1.1.
Dit is exclusief de 4 Natura 2000-gebieden op de Noordzee. Op www.pas.natura2000.nl is een kaart opgenomen met alle gebieden die het betreft. Per abuis wordt op de website nog gesproken over 162 Natura 2000-gebieden op het vasteland. Zoals gesteld in par. 3.6 is het aantal aan te wijzen Natura 2000-gebieden teruggebracht tot 158.
www.pas.natura2000.nl, onder het kopje ‘Over de pas’, onderdeel 1.4.3 (Herstelmaat-regelen).
www.pas.natura2000.nl, onder het kopje ‘Over de pas’, onderdeel 1.4.3 (Herstelmaat-regelen).
www.pas.natura2000.nl, onder het kopje ‘Over de pas’, onderdeel 1.4.2 (Nationale maatregelen).
Een zeer uitvoerige beschouwing over dit onderwerp en de PAS als geheel is te vinden in Kaajan 2013. In dit preadvies voor de Vereniging voor Agrarisch Recht komt de relatie tussen de PAS en het beheerplan voor Natura 2000-gebieden niet ter sprake.
Meer informatie over dit instrument is te vinden op www.pas.natura2000.nl, onder het kopje ‘Over de pas’, onderdeel 1.4.5 (AERIUS).
Aldus de brief van de Staatssecretaris van EZ (d.d. 30 oktober 2013, kenmerk DGNR-PDN2000/13157943) aan de Tweede Kamer inzake de ‘Voortgang Programmatische Aanpak Stikstof’.
www.pas.natura2000.nl, onder het kopje ‘Over de PAS’, onderdeel 1.4.6.
In en rond veel Nederlandse Natura 2000-gebieden is sprake van een te hoge achtergronddepositie van stikstof. Dit blijkt uit de Knelpunten en kansenanalyse die voor alle Natura 2000-gebieden afzonderlijk is vastgesteld.1 Een te hoge stikstofdepositie kan negatieve of significant verstorende effecten hebben op de kwalificerende habitats en soorten in een Natura 2000-gebied. Illustratief zijn de volgende voorbeelden:
Uit wetenschappelijk onderzoek is gebleken dat het broedsucces van vogels in bossen onder druk staat vanwege de hoge stikstofdepositie.2 Een te hoge stikstofdepositie kan ook belangrijke indirecte effecten hebben op de ontwikkeling van de vogelpopulatie in een Natura 2000-gebied. Als gevolg van een overschot aan stikstof kan versnelde successie optreden waardoor een gebied met korte en open vegetatie verandert in een gebied met dichte en hoge vegetatie. Een te hoge stikstofdepositie kan ook negatieve gevolgen hebben voor het aantal insekten in natuurgebieden. Als gevolg daarvan kan een Natura 2000-gebied ongeschikt worden als broed- en leefgebied voor bepaalde vogelsoorten.3 Dit kan gevolgen hebben voor de populatiedynamiek van bepaalde vogelsoorten.4 Stikstofdepositie kan ook verslechterende en/of significant verstorende effecten hebben op habitats. In het Natura 2000-gebied Nieuwkoopse plassen & De Haeck dreigt het kwalificerende habitat Overgangs- en trilvenen (H7140B, veenmosrietlanden) te verdwijnen.5
In het uiterste geval kan een te hoge stikstofdepositie er toe leiden dat het niet mogelijk is om voor habitats en soorten een gunstige staat van instandhouding te realiseren. Daarnaast kan een te hoge stikstofdepositie negatieve gevolgen hebben voor de toelaatbaarheid van economische activiteiten in en rond Natura 2000-gebieden. Wanneer de stikstofdepositie te hoog is kan dit bijvoorbeeld betekenen dat het niet meer mogelijk is om een Nbw 1998-vergunning te verlenen voor de vestiging van nieuwe veehouderijen of de uitbreiding van bestaande veehouderijen.6 Daarnaast bestaat de kans dat aan bestaande veehouderijen geen Nbw 1998-vergunning wordt verleend. Dit gevaar dreigt voor een grote groep veehouderijen waarvoor in het verleden wel een milieuvergunning maar (nog) geen Nbw 1998-vergunning is aangevraagd. De activiteiten van dergelijke veehouderijen zijn nog niet aan een passende beoordeling onderworpen. De verklaring hiervoor is dat bestaand gebruik – waaronder veehouderijen – op basis van de Nbw 1998 kunnen worden onttrokken aan de vergunningplicht van artikel 19d, eerste lid Nbw 1998.7 Het is echter de vraag of dit systeem in alle opzichten voldoet aan de eisten die voortvloeien uit artikel 6 van de Hrl. De meningen hierover lopen uiteen.8
Het is duidelijk dat in en rond veel Natura 2000-gebieden een patstelling is ontstaan tussen de bescherming van de kwalificerende habitats en soorten aan de ene kant en de toelaatbaarheid van economische activiteiten aan de andere kant. Om dat probleem op te lossen heeft de wetgever besloten tot het opstellen van de Programmatische Aanpak Stikstof (hierna: PAS). In het kader van dit programma is het noodzakelijk om een actieprogramma op te stellen en de Nbw 1998 op een aantal punten te wijzigen. Dat is gebeurt in het kader van het wetsvoorstel voor de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw). De wetgever ziet bij de uitvoering van de PAS een belangrijke rol weggelegd voor het beheerplan voor Natura 2000-gebieden. Om die reden wordt in deze paragraaf stil gestaan bij de doelstelling en de inhoud van de PAS. Een analyse van het toepasselijk wettelijk kader is te vinden in paragraaf 4.5.2.
Sinds de inwerkingtreding van de Chw op 31 maart 2010 wordt door de centrale overheid (vooral het Ministerie van EZ) in samenwerking met decentrale overheden (provincies) gewerkt aan de totstandkoming van de PAS. In de zomer van 2010 is een voorlopige PAS vastgesteld.9 De doelstelling van de PAS is tweeledig:
‘Behoud en herstel van de bedreigde habitattypes bevorderen door de huidige daling van de stikstofdepositie een extra impuls te geven door aparte herstelmaatregelen per habitattype.’
‘Binnen de grenzen van de dalende stikstofdepositie verantwoorde ruimte zoeken om met behoud van de instandhoudingsdoelen toch vergunningen (SK: Nbw 1998-vergunningen) te kunnen geven voor nieuwe economische activiteiten.’10
De eerste pijler van de PAS heeft betrekking op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Thans heeft de PAS heeft betrekking op 133 van 158 Natura 2000-gebieden op het vasteland.11 Alle geselecteerde gebieden zijn in meer of mindere mate stikstofgevoelig. De habitattypen die in deze gebieden voor komen hebben last van de vroegere of de huidige stikstofdepositie. In veel gebieden wordt de kritische depositiewaarde van habitats overschreden. Om een gunstige staat van instandhouding van habitats te realiseren is het volgens de opstellers van de PAS noodzakelijk om herstel- en nationale maatregelen te treffen.
Herstelmaatregelen zijn maatregelen die bedoeld zijn om de negatieve effecten van stikstofdepositie weg te nemen dan wel te voorkomen. Daarbij kan worden gedacht aan het maaien en plaggen van de vegetatie, het verhogen van de (grond)waterstand, het verbeteren van de (grond)waterkwaliteit en het bevorderen dynamiek in stuifzandgebieden. De uitvoering van herstelmaatregelen is noodzakelijk voor gebieden die kampen met een te hoge stikstofdepositie en/of gebieden waar nog te veel stikstof in de grond zit. Voor het vaststellen van effectieve herstelmaatregelen moet per Natura 2000-gebied de ontwikkelingsruimte en een gebiedsanalyse worden vastgesteld. De herstelmaatregelen voor een habitat-type kunnen vervolgens worden vastgelegd in een beheerplan.12 Voor het inschatten van de effecten van een herstelmaatregel en de ontwikkelingsruimte is een ecologisch oordeel nodig.
Bij het vaststellen van de ecologische effecten is gekozen voor een indeling in drie categorieën (namelijk 1A, 1B of 2). Indien het effect van de herstelmaat-regelen en de ontwikkelingsruimte vallen in categorie 1A of 1B bestaan er geen problemen voor habitats en/of geen problemen na het nemen van de benodigde maatregelen. Wanneer een de effecten van een herstelmaatregel of ontwikkelingsruimte vallen in categorie 2 kunnen de betrokken habitats zich niet handhaven. Het toewijzen van ontwikkelingsruimte is alleen mogelijk wanneer een Natura 2000-gebied in categorie 1A en 1B valt. Dit is voor bijna alle Natura 2000-gebieden het geval. Op dit moment vallen vijf gebieden in categorie 2. Daarvoor wordt nog naar een oplossing gezocht.13
Naast het treffen van herstelmaatregelen is het volgens de opstellers van de PAS ook noodzakelijk om nationale maatregelen te treffen. De doelstelling is het versnellen van de daling van de stikstofdepositie. Voor dat doel is een akkoord gesloten met LTO Nederland dat voorziet in een reductie van de stikstofuitstoot van 10 kiloton. Van de verwachte depositiedaling wordt 50% bestemd voor de natuur en 50% wordt gereserveerd als ontwikkelingsruimte. Om de voorgenomen daling van de stikstofuitstoot te realiseren zijn wel aanvullende maatregelen noodzakelijk. Deze bestaan uit het aanscherpen van emissiearm aanwenden van dierlijke mest, het beperken van stalemissies door het aanscherpen en uitbreiden van de AmvB Huisvesting en treffen van voer- en managementmaatregelen in de veehouderij. Het is de bedoeling dat de nationale maatregelen op 1 januari 2014 in werking treden.14
De tweede pijler van de PAS bestaat het vaststellen van ontwikkelingsruimte ten voor economische activiteiten in en rond Natura 2000-gebieden.15 De ontwikkelingsruimte wordt vastgesteld door het bestuursorgaan dat bevoegd is om voor het betrokken Natura 2000-gebied een Nbw 1998-vergunning te verlenen. In de meeste gevallen is dat Gedeputeerde Staten. Het vaststellen van ontwikkelingsruimte is alleen mogelijk onder strikte voorwaarden. In de eerste plaats moet vaststaan dat de stikstofdepositie van het Natura 2000-gebied blijft dalen. In de tweede plaats moeten herstelmaatregelen zijn vastgesteld voor de stikstofgevoelige habitats. De voorgestelde herstelmaatregelen moeten ecologisch zijn getoetst en voldoende zijn geborgd. De beschikbare ontwikkelingsruimte wordt begrenst naar hoeveelheid en tijd en per Natura 2000-gebied vastgesteld. De daadwerkelijke ontwikkelingsruimte is afhankelijk van de locatie van de bestaande bronnen van stikstofuitstoot en de locatie van stikstofgevoelige habitattypes. Voor dat doel wordt gebruik gemaakt van een speciaal rekeninstrument (AERIUS).16
Het opstellen van de PAS is een langdurig en complex proces. De vaststelling en inwerkingtreding van de definitieve PAS al enige malen uitgesteld. Het is de bedoeling dat de PAS in de zomer van 2014 in werking treedt.17 Voordien moeten nog aantal belangrijke zaken worden geregeld. In dat verband kan worden gewezen op de aanpassing van de Nbw 1998, het sluiten van een bestuurlijk akkoord tussen het Rijk en de provincies, het sluiten van een akkoord tussen het Rijk en de landbouwsector, het vaststellen van de definitieve gebiedsanalyses en het vaststellen van een Plan-M.e.r./passende beoordeling. De eerste PAS heeft in principe een looptijd van drie beheerplanperiodes (18 jaar). Om garanderen dat de doelstellingen worden gerealiseerd is het noodzakelijk om de ontwikkelingen in de Natura 2000-gebieden te monitoren. Met het oog op dat doel is – op hoofdlijnen − een monitoringsplan vastgesteld. Het is de bedoeling om aan te sluiten bij bestaande monitoringsactiviteiten zoals SNL, NEM, KrW en NSL.18 Het is onduidelijk of het mogelijk is om de PAS (inclusief alle bijbehorende werkzaamheden) voor de zomer van 2014 af te ronden. Daarbij staat nog niet vast of het mogelijk is om de doelstellingen van de PAS, bescherming van kwalificerende habitats en het creëren van ontwikkelingsruimte, te realiseren. Tot dusver zijn de gebiedsanalyses van de afzonderlijke Natura 2000-gebieden nog niet afgerond en/of gepubliceerd. Het is evenmin duidelijk welke beheermaatregelen nodig zijn om een gunstige staat van instandhouding van kwalificerende habitats te realiseren. Een vergelijkbare opmerking kan worden gemaakt met betrekking tot de wijze waarop eventuele beheermaatregelen en ontwikkelruimte in het beheerplan worden geborgd.