Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.5.4.2
4.2.5.4.2 Vervaardigen
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291686:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, p. 30.
HvJ EG 14 mei 1985, zaak 139/84, BNB 1985/335, m.nt. Ploeger, r.o. 20-22 (Van Dijk’s Boekhuis). Tot 1 januari 1996 kon op grond van art. 5 lid 5, onderdeel a Zesde Richtlijn ook de oplevering van een werk in roerende staat, dat wil zeggen de afgifte door de opdrachtnemer aan de opdrachtgever van een roerend goed dat hij heeft vervaardigd of samengesteld, met behulp van stoffen en voorwerpen die daartoe door de opdrachtgever aan de opdrachtnemer zijn verstrekt, met een levering worden gelijkgesteld.
HR 2 oktober 1985, nr. 22.246, BNB 1985/336, m.nt. Ploeger en HR 17 juni 1987, nr. 23.782, BNB 1987/243.
Vgl. HvJ EU 10 september 2014, zaak C-92/13, BNB 2015/21, m.nt. Bijl, r.o. 28 en 29 (Gemeente ’s Hertogenbosch). In dit arrest oordeelt het Hof niet alleen dat het door een derde gebouwde pand op grond die toebehoort aan een gemeente binnen de bewoordingen van (thans) art. 18, onderdeel a Btw-richtlijn valt, maar ook dat Nederland van die mogelijkheid gebruikgemaakt heeft. In de omstandigheid dat het destijds geldende art. 3 lid 1, onderdeel h Wet OB betrekking had op in het eigen bedrijf vervaardigde goederen zag het Hof kennelijk geen beletsel.
HR 19 november 2010, nr. 08/01021, BNB 2011/42, m.nt. Bijl.
R.A. Wolf, Omzetbelasting en onroerend goed (FED Fiscale Brochures), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 16.
In gelijke zin: M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 127. Anders: B.G. van Zadelhoff, Onroerende goederen en belasting over de toegevoegde waarde (diss.), Deventer: FED 1992, p. 182-183.
Op grond van art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB is alleen de oplevering van een vervaardigd onroerend goed gelijkgesteld met een levering. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat aan het begrip ‘vervaardigen’ in art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB de betekenis toekomt die daaraan in het maatschappelijke verkeer wordt toegekend, namelijk: het doen ontstaan van een nieuw goed’.1 Hieruit blijkt dat de wetgever aan het begrip ‘vervaardigen’ dezelfde betekenis toekent als het Hof van Justitie aan het begrip ‘vervaardigen’ met betrekking tot de oplevering van werken in roerende staat heeft gegeven.2 Het is daarom niet verwonderlijk en vanuit het oogpunt van rechtseenheid ook wenselijk dat de Hoge Raad die uitleg van het Hof van Justitie richtinggevend acht bij de uitleg van het begrip ‘vervaardigen’ met betrekking tot de oplevering van onroerende goederen in art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB.3
De leveringsgelijkstelling van art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB ziet in de eerste plaats op de oplevering van nieuwe gebouwen (nieuwbouw) op grond van een aannemingsovereenkomst. Hoewel uit art. 18, onderdeel a Btw-richtlijn is af te leiden dat ‘bouwen’ en ‘vervaardigen’ moet worden onderscheiden, meen ik dat de wetgever op grond van art. 14 lid 3 Btw-richtlijn de vrijheid heeft om ook de oplevering van nieuwbouw onder art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB te scharen. Beschikt een lidstaat over die vrijheid, dan lijkt het Hof van Justitie aan de door de nationale wetgever beoogde strekking (terecht) meer gewicht toe te kennen dan aan het gebruikte etiket met een beperktere strekking (vervaardigen).4 De oplevering van nieuwbouw kan naar mijn mening op grond van art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB daarom als levering worden beschouwd. De leveringsgelijkstelling van art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB ziet ook op de oplevering van een gebouw dat door de opdrachtnemer zodanig ingrijpend is verbouwd dat in wezen sprake is van nieuwbouw.5 In paragraaf 5.7 wordt nader ingegaan op het vervaardigingscriterium ‘in wezen nieuwbouw’. De leveringsgelijkstelling van art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB heeft ten slotte ook betrekking op de oplevering van een bouwrijp gemaakt terrein.6 Voor de vraag wanneer sprake is van de vervaardiging van een bouwrijp gemaakt terrein zij verwezen naar paragraaf 6.3.
Uit de in bijlage B, punt 5 bij de Tweede Richtlijn opgesomde handelingen is af te leiden dat voormelde vervaardigingshandelingen onder het (unie)begrip ‘werk in onroerende staat’ te scharen zijn, terwijl uit (de richtlijnhistorie van) art. 14 lid 3 Btw-richtlijn en met name het woord ‘bepaalde’ volgt dat Nederland de vrijheid heeft om alleen de oplevering van deze werken in onroerende staat met een levering gelijk te stellen. Naar mijn mening is Nederland met art. 3 lid 1, onderdeel c Wet OB daarom binnen de lijnen van art. 14 lid 3 Btw-richtlijn gebleven.7