Einde inhoudsopgave
De beursvennootschap, corporate governance en strategie (IVOR nr. 120) 2020/5.1.2
5.1.2 Gedachten over een autonoom of resulterend vennootschappelijk belang
mr. S.B. Garcia Nelen, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. S.B. Garcia Nelen
- JCDI
JCDI:ADS232599:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Timmerman 2018, par. 2.2.3: “Er is nooit eerder en ook daarna niet een vennootschappelijke verhandeling verschenen waarover zoveel is geschreven als over de oratie van Maeijer.”
Maeijer 1964.
Maeijer 1964, hoofdstuk 1.
Mendel 1971, p. 19-20; Kemp 2015, par. 3.13.2; Olaerts, TvOB 2015-2, par. 6; Van Veen, WPNR 2017/7162, par. 2.1-2.2; Mendel & Oostwouder, O&F 2017/3, par. 2. Dit wordt ook wel aangeduid als de institutionele opvatting, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/127.
Maeijer 1964, hoofdstuk 1.
Löwensteyn 1970, p. 87.
Zie bijvoorbeeld: Mendel 1971, p. 19-20; Slagter 1996, par. 3; Assink, Ondernemingsrecht 2010/50, par. 5.2; Verdam, Ondernemingsrecht 2013/18. Zie voor een uitgebreid overzicht: Kemp 2016, par. 3.13.2.
In de achtste druk van Van der Heijden/Van der Grinten 1968, nr. 233 is voor het eerst een passage over het vennootschappelijk belang opgenomen, met een verwijzing naar de oratie van Maeijer uit 1964. Vervolgens merkt Van der Grinten op: “Wat als vennootschappelijk belang kan gelden, is de resultante van afweging van belangen van allen die bij de vennootschappelijke werkzaamheid zijn betrokken.” In de zevende druk van hetzelfde handboek uit 1962 stond nog geen passage over het vennootschappelijk belang, maar vermelde datzelfde randnummer wel: “…dat het bestuur en beheer gericht moeten zijn op instandhouding van de n.v. en haar bedrijfsuitoefening.” Opmerkelijk genoeg heeft die laatste stelling veel weg van de continuïteitsgedachte die juist gezien wordt als een uiting van de autonome leer (zie bijvoorbeeld Van Schilfgaarde 2016, nr. 52, die de autonome of holistische leer ook aanduidt als de ‘continuïteitsopvatting’).
Kemp 2015, par. 3.13.1; Olaerts, TvOB 2015-2, par. 6; Van Veen, WPNR 2017/7162, par. 2.1; Mendel & Oostwouder, O&F 2017/3, par. 2.
Löwensteyn 1970, p. 86; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009, nrs. 394-395; L. Timmerman, ‘Onderneming en vennootschap’, in: L. Timmerman e.a., Piercing Van Schilfgaarde, Deventer: Kluwer 1990, p. 7; Vletter-van Dort 2001, par. 2.9.4.
Dortmond, Van der Heijden Handboek NV/BV 2013/231; Van Schilfgaarde/Winter & Wezeman 2013, nr. 4; Bulten, Ondernemingsrecht 2014/94; Van Schilfgaarde 2016, nr. 52. Zie voor een uitgebreid overzicht: Kemp 2016, par. 3.13.1.
Kamerstukken II 1970/71, 10 751, nr. 10 (MvA), p. 10.
Zie over deze opvatting Löwensteyn 1970, p. 88-89 en ook de annotatie van Blanco Fernández bij Hof Amsterdam (OK) 17 januari 2007, JOR 2007/32 (Stork) en Blanco Fernández, Ondernemingsrecht 2018/29. Zie ook: Mendel & Oostwouder NJB 2013/1776; Olaerts, TvOB 2015-2, par. 6; Van Schilfgaarde 2016, nr. 52.
Zie bijvoorbeeld: Honée 1996 en recent Huizink 2020. Uitgebreider over de “leer van de leegte”: Kemp 2015, par. 3.13.3. Uit de literatuur lijkt te volgen dat sommige schrijvers, zoals Löwensteyn en Blanco Fernández, zowel gezien kunnen worden als aanhangers van de aandeelhoudersbenadering als van de “leer van de leegte”.
Mendel & Oostwouder NJB 2013/1776.
Assink, WPNR 2015/7048, par. 6; Assink, WPNR 2016/7112, par. 5; De Brauw 2017, par. 5.1.4.2; De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11, par. 2.3.1; Mendel & Oostwouder, O&F 2017/3, par. 4.1. Timmermans 2017, par. 3.4.1; Van Veen, WPNR 2017/7162, par. 2.2. Zie ook: Schwarz, TvOB 2018/04, par. 3. Zie paragraaf 5.1.1 voor de relevante passages uit de beschikkingen van de Hoge Raad.
Zoals ik in paragraaf 5.3.1 zal toelichtingen kan die zorgvuldigheidsverplichting gebaseerd zijn op verschillende gronden. Zie ook Van Veen, WPNR 2017/7162, par. 7.
Zie ook paragraaf 3.1.4 van dit proefschrift.
Van Schilfgaarde 2016, nr. 7 en 41; par. 5 van de annotatie van Van Schilfgaarde bij HR 4 april 2014, NJ 2014/286 (Roovers/Cancun Holding I); par. 4 van de annotatie van De Haan bij HR 4 april 2014, JOR 2014/290 (Invernostra/Cancun Holding I).
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood 2017, nr. 4. Zie ook De Brauw, Ondernemingsrecht 2018/11, par. 2.3.1, die spreekt van een “gecombineerde benadering” en Timmerman 2018, par. 2.2.4, die spreekt van een “synthese” (De Brauw, Ondernemingsrecht 2019/94, par. 2.2 noemt beide termen). Hoewel zowel Timmerman als De Brauw de principiële keuze voor de autonome leer onderschrijven, doet dergelijke terminologie het lijken alsof een dergelijke keuze niet (geheel) is gemaakt. Mijns inziens is het centrale kenmerk van de autonome benadering dat uitgegaan wordt van een zelfstandig vennootschapsbelang als richtsnoer, hetgeen in de Cancun-beschikkingen is bevestigd. Wat dat belang inhoudt (in de regel vooral het bevorderen van het bestendige succes van de onderneming) en op welke wijze dat belang vervolgens al dan niet wordt gecorrigeerd, doet niet af aan de zelfstandigheid van het vennootschapsbelang als richtsnoer. Het is een tweetrapsraket waarvan de twee trappen duidelijk dienen te worden gescheiden: de eerste trap ziet op het bepalen van het vennootschappelijk belang en de tweede trap ziet op de weging van de belangen van betrokken belanghebbenden. De Jongh 2019, par. 18 ziet de Cancun-beschikkingen als synthese van drie in de literatuur verdedigde benaderingen.
Waarover meer in paragraaf 5.3.1. Zie ook: De Jongh 2019, par. 18.
Dit kan anders zijn indien de statutaire of strategische doelstellingen uitdrukkelijk voorschrijven dat de NV zich richt naar de belangen van bepaalde (groepen) stakeholders, zoals aandeelhouders.
Zie ook Schwarz, TvOB 2018/04, par. 3 met verwijzing naar K.W.H. Broekhuizen, Klantbelang, belangenconflict en zorgplicht (diss. UvA), Den Haag: Boom Juridische Uitgevers 2016, par. 6.14.
Schwarz, TvOB 2018/04, par. 1.
Al voor de wettelijke verankering van het vennootschappelijk belang bij invoering van de structuurregeling in 1971, was er een discussie gaande over de inhoud en uitleg van dit begrip. Maeijer heeft deze ontwikkeling sterk beïnvloed, met name door zijn oratie in 1964.1 Hij benadrukte hierin de rechtspersoonlijkheid van de NV en de zelfstandige bestuurstaak.2 Maeijer beschouwde het vennootschappelijk belang van de NV als het zelfstandig belang van de vennootschap als samenwerkingsverband.3 Het belang van de NV is in zijn ogen niet de optelsom van de belangen van alle stakeholders, maar het eigen belang van de NV, dat te onderscheiden is van de belangen van haar stakeholders. In de rechtswetenschap is deze benadering wel aangeduid als de ‘autonome’ of ‘holistische’ benadering.4 Maeijer’s definitie van het vennootschappelijk belang is treffend en vaak geciteerd: “het belang dat de vennootschap heeft bij haar eigen gezonde bestaan, uitgroei en voortbestaan met het oog op het door haar te bereiken doel.”
Minder vaak geciteerd zijn de op die definitie volgende zinnen, waarin Maeijer toelicht dat het laatste zinsdeel van de definitie, refererend aan het door de NV te bereiken doel, het vennootschappelijk belang begrenst. Het doel van de NV is – of was, vond Maeijer toen – uiteindelijk gericht op het behalen van winst en de rentabiliteit van het bijeengebrachte kapitaal. Zonder dat doel verliest de vennootschap het belang bij haar bestaan, nu dat bestaan geen doel op zich mag zijn.5 Löwensteyn betoogde dat die redenering van Maeijer in de kern hierop neerkwam dat het belang van de vennootschap gelijk stond aan het lange termijn winstbelang van de gezamenlijke aandeelhouders.6 Ik denk dat hij daar gelijk in had, al schiep de formulering van Maeijer in mijn optiek wel al meer ruimte voor een belangenafweging in dienst van het gezonde voortbestaan van de vennootschap op de lange termijn, los van de financiële belangen van de gezamenlijke aandeelhouders.
De zienswijze van de autonome leer werd gedeeld door verschillende andere schrijvers.7 De autonome benadering stond tegenover de visie van Maeijer’s leermeester Van der Grinten, die de zogenaamde ‘resultantebenadering’ of ‘participantenopvatting’ aanhing.8 In deze benadering werd het vennootschappelijk belang niet als een zelfstandig belang gezien, maar als resultaat van de belangen van alle stakeholders, waarbij telkens moet worden bepaald welk belang doorslaggevend is op grond van de omstandigheden van het geval.9 Löwensteyn, Van Solinge, Nieuwe Weme, Timmerman en Vletter-Van Dort spraken zich uit voor de resultanteleer10 en Dortmond, Winter, Bulten en andere schrijvers zagen deze als heersend.11 Ook de overtuiging van de minister bij de totstandkoming van de structuurregeling in 1970 lijkt geënt op de resultanteleer, nu het vennootschapsbelang door hem wordt aangemerkt als “het gezamenlijk belang van allen die onmiddellijk bij vennootschap en onderneming zijn betrokken.”12 Gedurende een zekere periode, ik zou zeggen grofweg vanaf begin jaren 2000 tot uiterlijk 2014, kan de resultantebenadering mijns inziens in ieder geval als de heersende leer worden gezien.
Dit neemt niet weg dat hierover geen eenstemmigheid bestond, en in de loop der jaren zijn ook andere theorieën opgebracht. Zo kan gewezen worden op de opvatting van het aandeelhoudersbelang waarbij het vennootschappelijk belang wordt bepaald door het belang van de aandeelhouders.13 Daaraan enigszins verwant is de benadering die wel wordt aangeduid als de “leer van de leegte”.14 In deze benadering wordt gesteld dat het begrip vennootschappelijk belang geheel geen plaats heeft binnen het vennootschapsrecht, althans niet naast of in afwijking van de inhoud die daaraan wordt gegeven door aandeelhouders. Deze zienswijzen laat ik hier verder buiten beschouwing, omdat zij minder van belang zijn geweest dan de hiervoor beschreven opvattingen.
Volgens sommigen al sinds de ABN AMRO- en ASMI-beschikkingen,15 maar in ieder geval sinds de Cancun-beschikkingen, is de heersende overtuiging dat de Hoge Raad een keuze heeft gemaakt voor de autonome benadering.16 Daarbij past volgens de Hoge Raad waar nodig wel een eventuele correctie voor de belangen van betrokkenen, maar die is, zoals ik het lees, geen onderdeel van het vennootschappelijk belang zelf. Deze eventuele correctie vloeit volgens de Cancun-beschikkingen voort uit de zorgvuldigheidsverplichting van het bestuur met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken.17 Het vennootschappelijk belang is de eerste (de ‘richtinggevende’) trap van de tweetrapsraket, de zorgvuldigheidsverplichting jegens stakeholders de tweede (de ‘corrigerende’) trap.18
Niet iedereen is overtuigd van de keuze voor de autonome leer. Er zijn schrijvers die menen dat in de Cancun-beschikkingen tevens of louter de resultanteleer kan worden gelezen.19 Volgens Winter, Wezeman en Schoonbrood ontstaat in de benadering van de Hoge Raad “een synthese tussen het aspect van continuïteit, met aanvulling en nuancering in verband met de eigenlijke doelen die aandeelhouders nastreven, dat het vennootschapsbelang bepaalt en de resultantebenadering in de zin dat dit belang bij besluitvorming moet worden afgewogen tegen andere relevante belangen van betrokkenen.”20 Zij miskennen mijns inziens dat het tweede aspect, dat zij omschrijven als resultantebenadering, geen deel uitmaakt van het vennootschappelijk belang zelf, maar een correctiemogelijkheid betreft op grond van een zorgvuldigheidsverplichting.21 Dat de belangen van stakeholders niet tevens deel uitmaken van het vennootschapsbelang als eerste (richtinggevende) stap, volgt ook uit het feit dat deze belangen op basis van de Cancun-beschikkingen uitdrukkelijk worden meegewogen in de tweede (corrigerende) stap.22 Zowel in de resultantebenadering als in de autonome benadering met ‘stakeholdercorrectie’ zal op enig moment rekening gehouden moet worden met andere belangen dan het belang van de NV; is dat niet reeds bij het vaststellen van het vennootschappelijk belang, dan in ieder geval daarna.23 Het is echter relevant op de twee stappen van elkaar te scheiden, zoals de Hoge Raad doet, omdat daarmee onderstreept wordt dat het bestuur zich in de praktijk niet primair dient te richten op de belangen van stakeholders, maar op het bevorderen van het bestendig succes van de onderneming. Dat creëert een ruime ondernemingsvrijheid voor het bestuur.
Mijns inziens is de keuze voor de autonome benadering terecht. Hoewel de vennootschap een juridische fictie is,24 is de realiteit meen ik wel dat goede, betrouwbare bestuurders met name hun best zullen doen de onderneming op de lange termijn succesvol te laten zijn. Dat kent een aspect van winstgevendheid, maar het kan ook relevant zijn investeringen te verkiezen boven winst om op korte termijn marktaandeel te winnen en op lange termijn te overleven. Alleen wanneer de onderneming blijft overleven en op de lange termijn succesvol is, groeit en innoveert, zal uiteindelijk ook de welvaart van alle stakeholders (inclusief de aandeelhouders) kunnen toenemen.