Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/6.3.2.2
6.3.2.2 Wederrechtelijkheid (vergelding) en vergrijpboeten
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS463252:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30 juni 2017 (ECLI:NL:RBZWB:2017:3950). In sommige gevallen kan ook sprake zijn van schade als gevolg van verstoorde concurrentieverhoudingen. Deze schade laat zich echter moeilijk becijferen.
Artt. 67d, lid 5 en 67e, lid 6 AWR.
Een dergelijke objectieve benadering houdt m.i. ook in dat bij de bepaling van de hoogte van de boete die aan een deelnemer wordt opgelegd de schade die is of zou kunnen zijn berokkend als vertrekpunt wordt genomen. Zie hierover Sitsen, TFB 2014/05.
Een vreemd, en naar mijn mening ongewenst, bijgevolg van het publiek maken van vergrijpboetezaken is dat de bestraffende instantie daardoor zijn eigen straftoemetingsruimte kan oprekken door maatschappelijke onrust te creëren. Met dit impactelement moet dus zorgvuldig omgegaan worden.
De meeste vergrijpboeten houden verband met het niet betalen van belasting. Vaak wordt dan ook een vergelijking met diefstal van geld gemaakt. Maar anders dan bij veel vormen van diefstal is er bij vergrijpboetedelicten geen sprake van fysieke inbraak met bijbehorende braakschade en inbreuken op privé-eigendommen en persoonlijke levenssferen. Met andere woorden, de schade bij vergrijpboetedelicten beperkt zich meestal tot het alsnog te betalen bedrag aan belastingen, oftewel het wederrechtelijk toegeëigende bedrag.1
Deze schadegedachte is bij fiscale vergrijpboeten duidelijk terug te vinden in de AWR. Voor het opleggen van een vergrijpboete is namelijk over het algemeen een vorm van belastingnadeel vereist, de zogeheten boetegrondslag. Over het algemeen geldt: geen boetegrondslag, geen vergrijpboete. In de meeste vergrijpboetebepalingen vormt deze boetegrondslag ook het wettelijke strafmaximum door de vermelding dat de vergrijpboete ‘ten hoogste 100% van de grondslag’ mag bedragen. In zoverre lijken de wettelijke vergrijpboetebepalingen in lijn met het schade-element voor wat betreft het bepalen van de bovengrens voor vergelding. Een uitzondering hierop is de vergrijpboete van (maximaal) 300% die opgelegd kan worden voor verzwegen box 3-inkomsten.2 Als ik de vergeldingsbovengrens op dit boetemaximum toepas, dan zou dit hoge maximum grotendeels verklaard moeten worden door het hierna te bespreken impactelement.
Overigens is hier van belang te vermelden dat de vergrijpboete opgelegd kan worden naast een eventuele belastingaanslag. De vergrijpboete ziet immers niet op het terugbetalen van de ontdoken belasting, want daarvoor is de belastingaanslag (als een soort van reparatoire sanctie) bedoeld. Dat betekent dat het schade-element bij vergrijpbeboeting naar mijn mening in meer objectieve zin moet worden uitgelegd: Had het vergrijpboetewaardige gedrag naar objectieve maatstaven daadwerkelijk tot het gegeven bedrag aan belastingnadeel kunnen leiden?3 Een dergelijke objectieve benadering is ook terug te vinden in de vergrijpboetebepalingen van artikel 10a en 67cc AWR. Deze bepalingen kennen de mogelijkheid van een ‘fictieve’ boetegrondslag, waarbij de boete wordt gerelateerd aan het belastingnadeel dat in de toekomst als gevolg van het vergrijp zou zijn ontstaan. Opgemerkt wordt dat een objectievere visie ook beter aansluit bij het strekkingsvereiste van artikel 69, lid 1 en 2 AWR, zoals dat in fiscale strafrechtspraak tot ontwikkeling is gekomen.
Het voorgaande zou naar mijn mening dus ook betekenen dat een vergrijpboete verhoogd kan worden op grond van het feit dat er schade (derving van belastinginkomsten) is geleden die niet verhaalbaar is, bijvoorbeeld vanwege het enkele feit dat een aanslagtermijn is verstreken. Daarbij plaats ik de kanttekening dat deze strafverzwaring slechts toegepast zou mogen worden als er voldoende aanwijzingen zijn dat het beboetbare feit zich mede heeft uitgestrekt tot de niet- verhaalbare jaren.
Terwijl het schade-element bij vergrijpboeten nog enigszins te duiden is, kan dit niet zonder meer gezegd worden van het impactelement. Fiscale delicten zijn namelijk over het algemeen niet direct uiterlijk waarneembaar, anders dan bij bepaalde commune strafrechtelijke delicten zoals openlijke geweldpleging. Er zal dus de nodige handhavingscommunicatie aan te pas moeten komen om het publiek op de hoogte te brengen van fiscale vergrijpen; het opleggen van de bestuurlijke boetebeschikking zelf is immers geen openbare aangelegenheid.4 Maar dan nog is het de vraag in hoeverre het publiek verontrust zal zijn over fiscale fraude naar aanleiding van berichtgeving daarover in de media. Fiscale fraude spreekt vaak niet echt tot de verbeelding; er is geen duidelijk aanwijsbaar slachtoffer met wie het publiek zich kan identificeren. Daarom zal het impactelement bij vergrijpbeboeting slechts in uitzonderingsgevallen de bovengrens voor de straftoemetingsruimte kunnen doen optrekken. Mijn gedachten gaan daarbij uit naar ernstige gevallen van belastingfraude die het systeem van heffen en innen van belastingen in objectieve zin ernstig ondermijnen. Aspecten als de massaliteit van de fraude (het aantal fraudeurs), de wijze van misbruik van het (internationale) belastingrecht of het (systematische) misbruik van het geautomatiseerde systeem van belastingheffing, kunnen daarbij van belang zijn (denk aan KB-Lux, VT-fraude, BTW carrouselfraude). Ook zou het impactelement een (begin van een) rechtvaardiging kunnen zijn voor de hiervoor genoemde 300%-vergrijpboete (zie hierna onderdeel 6.4.2.1).