Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.4.2.2
6.4.2.2 Het voorshandse bewijsoordeel
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS463146:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ik wijs wederom op OK 2 november 1995, rekestnr. 104/95 OK, (Text Lite Holding), maar bijvoorbeeld ook op OK 30 juni 2003, ARO 2003, 116, r.o. 3.1.4 (Polyplus Holding).
Vergelijk: OK 10 december 1998, JOR 1999, 32 (Spiegelenburg Beheer), weergegeven in paragraaf 6.2.1.2, en OK 19 juni 1997, NJ 1997, 673 (Bobel), waarover paragraaf 6.2.1.4.
Zie hierover in vragende zin: Sanders & Westbroek/Buijn & Storm 2005, p. 359; Van Solinge in zijn noot (onder 7) in NJ 2006, 443 (onder HR 8 april 2005 (Laurus)). Geerts (2005, p. 294) geeft een voorbeeld: wellicht moeten wij denken aan het geval dat er maar één bestuurder is en het wanbeleid van het bestuur in de enquêteprocedure aan de vennootschap is toegerekend. Zie ook Timmerman 2008, p. 150: ‘Die voorshandse bewijsrechtelijke betekenis zal zich mijns inziens vooral kunnen voordoen als bijvoorbeeld de aangesproken bestuurder in de enquêteprocedure bepaalde feiten heeft toegegeven.’
Zie in andere zin: Van Wijk 2007, p. 397; A-G Timmerman in zijn conclusie (overweging 5.4.3) bij HR 26 juni 2009, ARO 2009, 107 (KPNQwest). Beiden menen dat het bewijsoordeel betrekking heeft op slechts een gedeelte van hetgeen moet worden vastgesteld (namelijk de onbehoorlijke taakvervulling) en dat eiser (nog) dient te bewijzen dat de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt.
Dit geldt te meer indien ook de OK reeds tot het oordeel is gekomen dat de bestuurder bewust of opzettelijk tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak. Vergelijk OK 28 juni 2001, JOR 2001, 148, r.o. 3.22 en 3.24 (De Vries Robbé Groep), weergegeven in paragraaf 6.2.1.3.
Zie in deze zin: Van Schilfgaarde 1986, p. 16 en p. 20; Wezeman 1998, p. 332 e.v.; Asser-Maeijer 2-III 2000, nr. 336.
Onder anderen: Van der Heijden/Van der Grinten 1992, nr. 399.1 (p. 685); Kortmann & Faber 1996, p. 155-156.
Winter (1992, p. 259) meent op basis van opmerkingen van de minister tijdens de parlementaire behandeling dat beide benaderingen mogelijk zijn. Aldus ook Timmerman 1991, p. 197 en p. 200-201. Timmerman spreekt van een ‘hybride artikel’.
Zie voor een fraai voorbeeld de overwegingen omtrent commissaris [N] uit OK 19 juni 1997, NJ 1997, 673 (Bobel), weergegeven in paragraaf 6.2.1.4.
Vergelijk Willems 2004, p. 262: ‘Ondanks het principiële uitgangspunt met betrekking tot de “eigenheid” van de enquêteprocedure aan de ene en de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure aan de andere kant, moet dus worden vastgesteld dat in normatief opzicht de uitkomsten van de eerste praktisch gesproken in belangrijke mate beslissend zijn voor de laatste en in ieder geval een belangrijke reflexwerking op deze uitoefenen.’
Hof’s-Gravenhage 6 april 1999, JOR 1999, 142 (Verto, m.nt. Van Solinge).
Rb. Amsterdam 28 maart 2001, JOR 2001, 110 (Hoffmann Beheer).
OK 7 maart 1996, JOR 1996, 23 (Verto, m.nt. Van den Ingh).
De OK is in de desbetreffende rechtsoverweging tot het oordeel gekomen dat Verto weliswaar een paar steken heeft laten vallen, maar dat een en ander niet zodanig ernstig is dat van wanbeleid kan worden gesproken.
OK 8 oktober 1998, JOR 1998, 166 (Hoffmann Beheer, m.nt .Josephus Jitta).
212. Ik heb in paragraaf 6.3.3.4 geconcludeerd dat het voorshandse bewijsoordeel uit Laurus een niet-algemeen rechterlijk vermoeden behelst. Zoals reeds is opgemerkt in paragraaf 6.3.3.3, behoort dit vermoeden thuis op het terrein van de (vrije) bewijswaardering en de vaststelling van de feiten door de aansprakelijkheidsrechter. Het uitgangspunt is ingevolge art. 152 lid 2 Rv derhalve dat het aan de rechter zelf is te bepalen welke waarde hij toekent aan de door eiser aangedragen bewijsmiddelen (in casu het enquêtedossier, inclusief het onderzoeksverslag en de overwegingen van de Ondernemingskamer). Het is dientengevolge denkbaar dat de rechter het enquêtedossier als bewijsmiddel ter zijde schuift, hetgeen tot gevolg heeft dat eiser zijn stellingen op een andere wijze moet bewijzen. Het is eveneens denkbaar dat de bewijskracht (lees: de overtuigende kracht) van het enquêtedossier dusdanig is dat de rechter zich van de juistheid van de stellingen van eiser laat overtuigen en deze stellingen (voorshands) bewezen verklaart. In dit verband verdient nog opmerking dat thans – anders dan wat betreft het gezag van gewijsde – niet relevant is of en in hoeverre in beide gedingen dezelfde rechtsvragen voorliggen. Relevant is evenmin of in beide gedingen dezelfde partijen tegenover elkaar staan. Met andere woorden, de aansprakelijkheidsrechter kan ook tot een voorshands bewijsoordeel ten aanzien van een bestuurder komen op basis van overwegingen van de Ondernemingskamer uit de hoofdprocedure.1 Uit het bovenstaande vloeit bovendien voort dat hoewel de Hoge Raad in zijn oordeel in Laurus alleen de tweede procedure van de enquête heeft betrokken, de rechter eveneens tot een voorshandse bewezenverklaring kan komen op basis van overwegingen van de Ondernemingskamer gegeven in een afzonderlijke beschikking omtrent een verzoek tot kostenverhaal.2 Blijft over de vraag hoe de zinsnede in Laurus dient te worden verstaan dat de rechter ‘onder omstandigheden’ tot een voorshandse bewezenverklaring kan komen.3 Wellicht is het antwoord op deze vraag te vinden in dezelfde overweging en bedoelt de Hoge Raad dat het voorstelbaar is dat de rechter eerder tot een dergelijke verklaring komt indien in het onderzoeksverslag uitgebreid aandacht is besteed aan de rol en betrokkenheid van de afzonderlijke bestuurders bij het wanbeleid c.q. onjuiste beleid en hierover ter terechtzitting een uitvoerig debat heeft plaatsgevonden. Het valt naar mijn mening evenwel te verwachten dat vooral de overwegingen en de beslissing van de Ondernemingskamer zelf van belang zullen zijn.
213. De procedures op de voet van art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) lid 1 BW. Het voorgaande resulteert er mijns inziens in dat de rechter in de procedure op de voet van art. 2: 9 BW voorshands bewezen kan verklaren dat de bestuurder verwijtbaar tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak en wel in zodanige mate, dat dit als onbehoorlijke taakvervulling kan worden gekwalif iceerd (vergelijk de opvatting van Assink en Olden) respectievelijk dat de bestuurder ter zake een ernstig verwijt kan worden gemaakt (vergelijk Staleman/Van de Ven).4 Ik meen dat het laatste eveneens mogelijk is indien de opvatting wordt gevolgd dat voor aansprakelijkheid van de bestuurder op de voet van art. 2: 9 BW vereist is dat hij bewust roekeloos of opzettelijk heeft gehandeld (vergelijk Maeijer en Borrius).5 Aan een en ander doen niet af de andere bewoordingen van de Hoge Raad in Laurus in rechtsoverweging 3.8, dat de rechter voorshands bewezen kan achten dat de aangesproken persoon tegenover de rechtspersoon ‘zijn taak niet heeft vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen’: het wettelijke uitgangspunt dat de rechter vrij is in de waardering van het bewijs, maakt mijns inziens dat hij niet gebonden is aan de formulering door de Hoge Raad. Het voorgaande geldt evenzeer voor de procedure op de voet van art. 2: 138(248) lid 1 BW: niettegenstaande de zinsnede ‘tegenover de rechtspersoon’ uit rechtsoverweging 3.8 kan de rechter hierin voorshands bewezen achten dat de bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Naar mijn mening is wat dit betreft niet relevant of de visie wordt aangehangen dat kennelijk onbehoorlijk is bestuurd jegens de rediteuren van de vennootschap6 dan wel jegens de vennootschap zelf7.8
214. De gevolgen voor bestuurders. Het voorshandse bewijsoordeel heeft tot gevolg dat de bewijsleveringslast op de bestuurder komt te rusten: hij dient tegenbewijs te leveren. Zoals reeds is vermeld in paragraaf 6.3.3.4, is niet vereist dat de bestuurder het tegendeel bewijst van de door de aansprakelijkheidsrechter als vaststaand aangenomen feiten. Voldoende is dat de bestuurder het bewijs door het leveren van tegenbewijs ontzenuwt (in de woorden van Asser: dat de rechter zozeer gaat twijfelen aan de juistheid van de aanvankelijk als vaststaand aangenomen feiten, dat eiser, die daarvan profiteerde, alsnog geconfronteerd wordt met de noodzaak van bewijslevering).
Een en ander roept de vraag op of de bestuurder die is aangesproken op de voet van art. 2: 9 BW of art. 2: 138(248) lid 1 BW, een reële kans heeft met succes tegenbewijs te leveren. Hij dient de aansprakelijkheidsrechter namelijk ten minste aan het twijfelen te brengen omtrent de door deze (in navolging van de onderzoeker en de Ondernemingskamer) als vaststaand aangenomen feiten, door bijvoorbeeld feiten te bewijzen die de bevindingen in het onderzoeksverslag en het hierop gebaseerde oordeel van de Ondernemingskamer onaannemelijk maken. Bedacht dient echter te worden dat de aansprakelijkheidsrechter waarschijnlijk mede tot de voorshandse bewezenverklaring is gekomen vanwege de inhoud van het onderzoeksverslag en het daarover in de enquêteprocedure gevoerde debat. Anders gezegd, het ligt in de rede dat de bestuurder ook in die procedure reeds de bevindingen van de onderzoeker heeft bestreden en disculpatieverweren heeft gevoerd, zij het zonder succes: de Ondernemingskamer heeft de bevindingen van de onderzoeker tot de hare gemaakt en de gevoerde verweren verworpen.9 Kortom, de bestuurder lijkt de aansprakelijkheidsrechter er per saldo van te moeten overtuigen dat het oordeel van de Ondernemingskamer omtrent de feiten onjuist is, althans onaannemelijk voorkomt.
Hoewel de bestuurder in theorie niet kansloos is, valt te verwachten dat de aansprakelijkheidsrechter groot gewicht zal toekennen aan de overwegingen van de Ondernemingskamer.10 Aanwijzingen hiervoor vormen ook het arrest van het Hof’s-Gravenhage van 6 april 1999 inzake Verto11 en het vonnis van de Rechtbank Amsterdam van 28 maart 2001 inzake Hoffmann Beheer (een geschillenprocedure).12 Het Hof neemt in de procedure inzake Verto tot uitgangspunt – naar mijn mening terecht – dat hoewel het oordeel van de Ondernemingskamer in bewijsrechtelijke zin een belangrijke rol mag spelen in de procedure op de voet van art. 2: 9 BW, de rechter zelfstandig heeft te beoordelen in welke mate dit oordeel van betekenis is voor de individuele rol en aansprakelijkheid van de bestuurder: de aangesproken bestuurder ‘kan immers nieuwe feiten of omstandigheden aanvoeren of vastgestelde feiten in een ander licht plaatsen voor wat betreft zijn individuele rol’ (rechtsoverweging 7). Vervolgens zet het hof uiteen welke aan bestuurders verweten gedragingen en handelingen door Verto aan haar vordering ten grondslag zijn gelegd (rechtsoverweging 14; zie voor de commissarissen rechtsoverweging 15). Alle verweten gedragingen en handelingen zijn door geïntimeerden gemotiveerd weersproken. Het hof oordeelt: ‘Voor de beoordeling van de standpunten van (...) partijen heeft het hof kunnen kennisnemen van de met name relevante stukken uit de procedure bij de OK13, in welke procedure deze feiten (...) uitvoerig onderwerp van onderzoek zijn geweest. Onderzoekers hebben hun bevindingen daaromtrent gerelateerd in het rapport van 1 september 1995 en deze zijn door de OK beoordeeld. Het hof ziet in het in deze aansprakelijkheidsprocedure aangevoerde geen aanleiding om over het feitenmateriaal anders te oordelen dan de OK; op grond van de overwegingen van de OK onder 4.1 tot en met 4.4 met de daarbijbehorende verwijzingen naar de standpunten van partijen en het rapport van onderzoekers14, – welke overwegingen het hof hier in zoverre overneemt – gaan de aan geïntimeerden verweten gedragingen (...) niet op, c.q. leveren zij, indien al vaststaand, niet een zodanig ernstig verwijt dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling als bedoeld in art. 2: 9 BW.’ (rechtsoverweging 16). Het vonnis van de Rechtbank Amsterdam inzake Hoffmann Beheer spreekt zo mogelijk nog meer tot de verbeelding. De rechtbank citeert in rechtsoverweging 1 uitvoerig uit zowel het onderzoeksverslag als de beschikking van de Ondernemingskamer.15 Vervolgens komt zij op basis van de bevindingen van de Ondernemingskamer, de door de Ondernemingskamer tijdelijk benoemde commissaris en de onderzoeker tot slotsom dat de vordering op de voet van art. 2: 336 lid 1 BW kan worden toegewezen.