Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/8.5.6
8.5.6 Rechtspraak
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS369733:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie par. 15.2.2.4.
Vgl. art. 2:130/240 lid 4 BW.
HR 4 oktober 2002, NJ 2002/556, JOR 2002/214 m.nt. van den Ingh (Zwagerman II).
Vgl. Hof Amsterdam (OK) 25 april 2012, JOR 2013/6 m.nt. Bulten (Butôt) en 22 september 2003, JOR 2003/280 (IHD Schiphol Service). Zie Eikelboom Derdenbescherming en vernietiging.
Hof Amsterdam (OK) 6 juli 2006, ARO 2006/137 (TCA). In cassatie (HR 9 juli 2002, ARO 2007, 81) werden hier geen klachten tegen aangevoerd.
Hof Amsterdam (OK) 14 juni 2013, ARO 213/104 (Auragenix).
Zie par. 16.4.4.2.
Uit de rechtspraak blijkt dat de ondernemingskamer de gevolgen van de voorzieningen op verschillende wijzen kan regelen. Op grond van de thans beschikbare rechtspraak is het mijns inziens (nog) niet mogelijk om te komen tot een uitputtend overzicht van de wijzen, waarop de ondernemingskamer de door haar getroffen (onmiddellijke) voorzieningen kan regelen. Het is ook de vraag of dat ooit wel mogelijk wordt. Hoe de gevolgen van (onmiddellijke) voorzieningen dienen te worden geregeld, hangt immers in belangrijke mate af van de omstandigheden van het geval en die omstandigheden kunnen nagenoeg eindeloos variëren. Wel kunnen de wijzen waarop de ondernemingskamer in het verleden de gevolgen van (onmiddellijke) voorzieningen nader heeft geregeld, worden veralgemeniseerd. Zo kan inzicht worden gekregen in hoe de ondernemingskamer de gevolgen van (onmiddellijke) voorzieningen kan regelen, maar een uitputtend overzicht kan op die manier niet worden verkregen.
Ten eerste komt het met enige regelmaat voor dat de ondernemingskamer een algemene “opdracht” meegeeft aan door haar benoemde functionarissen.1
Een tweede manier, waarop de ondernemingskamer met enige regelmaat de gevolgen van een (onmiddellijke) voorziening regelt, is het door middel van een “taakomschrijving” verduidelijken dat het de door haar benoemde functionaris vrij staat om bepaalde specifieke handelingen te verrichten, zoals het bewerkstelligen van een schikking tussen partijen, zodat daarover geen twijfels hoeven te bestaan. Het op een dergelijke wijze regelen van de gevolgen van een (onmiddellijke) voorziening dient te worden onderscheiden van het bij wijze van tijdelijk afwijken van de statuten toekennen van bepaalde bevoegdheden. Indien de ondernemingskamer bijvoorbeeld bepaalt dat een door haar benoemde commissaris het tot zijn taak mag rekenen om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten, is mijns inziens primair sprake van het door middel van tijdelijk afwijken van de statuten bewerkstelligen van een statutaire vertegenwoordigingsbevoegdheid, al kan worden toegegeven dat zulks dan niet heel duidelijk geformuleerd is.2 De Hoge Raad zag dit echter als het regelen van de gevolgen van een voorziening in zijn tweede Zwagerman-beschikking.3
Een voorbeeld van het verduidelijken dat het een bestuurder vrijstaat om iets te ondernemen is Hof Amsterdam (OK) 2 april 2013, JOR 2013/204, r.o. 3.10: “De door de Ondernemingskamer te benoemen bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak bij New Look Holding, en indirect bij New Look Hair, naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door Jah onderscheidenlijk Wu op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De te benoemen bestuurder mag het bovendien tot zijn taak rekenen om de voorraad weer in de macht van New Look Holding en New Look Hair te brengen en een minnelijke regeling tussen partijen te beproeven. In dit verband is van belang dat Jah en Wu beiden ter zitting hebben verklaard dat een oplossing van alle uitstaande geschilpunten kan worden gevonden in een verkoop door Jalloh Diamond Holding van de door haar gehouden aandelen in New Look Holding aan Da Tong Holding, maar dat partijen vooralsnog niet tot overeenstemming kunnen komen over de prijs bij ontstentenis over en weer van de nodige financiële informatie over enerzijds de inkoop en anderzijds de verkoop van hair extensions ter bepaling van een reële waarde van de aandelen.”
Ten derde heeft de ondernemingskamer meer dan eens met het regelen van de gevolgen van haar voorzieningen proberen te voorkomen dat de vennootschap na het wijzen van een beschikking contrair handelt aan wat de ondernemingskamer met de beschikking beoogde te bereiken. Een voorbeeld daarvan is het geven van de opdracht aan een tijdelijke bestuurder om te proberen om hetgeen de rechtspersoon onder een bepaalde overeenkomst heeft betaald, terug te vorderen. Daartoe kan aanleiding bestaan, indien deze overeenkomst een rol speelt in het wanbeleid.4 Ook heeft de ondernemingskamer het de rechtspersoon weleens verboden om managementovereenkomsten na te komen, nadat zij het besluit om deze overeenkomsten aan te gaan vernietigde en de desbetreffende bestuurders had ontslagen.5 Het op deze wijze regelen van voorzieningen sluit mijns inziens aan bij het in art. 2:357 lid 3 BW bepaalde. Daarin is vastgelegd dat de rechtspersoon de door de ondernemingskamer getroffen voorzieningen niet ongedaan kan maken. Een besluit daartoe is nietig.
Ten vierde bepaalt de ondernemingskamer zo goed als altijd dat de rechts-persoon zekerheid moet stellen voor het salaris van de door haar benoemde functionarissen. Daarbij verdient het opmerking dat de ondernemingskamer tevens oordeelt dat zij niet kan bepalen welk uurtarief de functionarissen in rekening kunnen brengen.6
Ten vijfde regelt de ondernemingskamer de gevolgen van de ontbinding van de rechtspersoon steevast zo dat zij tevens voorziet in de persoon van de vereffenaar.
Het zesde – mogelijk niet meer actueel7 – voorbeeld betreft het regelen van de gevolgen van het schorsen van bestuurders en commissarissen.