Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/4.7.13
4.7.13 Wettelijke uitzonderingen na afscheiding
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644811:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art 3:201 BW: “Vruchtgebruik geeft het recht om goederen die aan een ander toebehoren, te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.”; Art. 5:90 BW: “Voor zover niet in de akte van vestiging anders is bepaald, behoren vruchten die tijdens de duur der erfpacht zijn afgescheiden of opeisbaar geworden, en voordelen van roerende aard, die de zaak oplevert, aan de erfpachter.”
Zie Hoofdstuk 3, §3.6.8.
Art. 3:86 lid 1 BW: “Ondanks onbevoegdheid van de vervreemder is een overdracht overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 van een roerende zaak, niet-registergoed, of een recht aan toonder of order geldig, indien de overdracht anders dan om niet geschiedt en de verkrijger te goeder trouw is.” Lid 2: “Rust op een in het vorige lid genoemd goed dat overeenkomstig artikel 90, 91 of 93 anders dan om niet wordt overgedragen, een beperkt recht dat de verkrijger op dit tijdstip kent noch behoort te kennen, dan vervalt dit recht, in het geval van overdracht overeenkomstig artikel 91 onder dezelfde opschortende voorwaarde als waaronder geleverd is.”
Zie ook: Booms, NTBR 2015/44, p. 304-305.
De uitzonderingen op de hoofdregel dat het eigendomsrecht op een afgescheiden zaak dezelfde eigenschappen bezit als het eigendomsrecht van de oorspronkelijke zaak, staan in de wet. Hierboven is art. 5:17 BW al ter sprake gekomen. Iemand verkrijgt de eigendom van de vruchten door afscheiding, als hij krachtens een zakelijk genotsrecht gerechtigd was tot deze vruchten. Zo verkrijgen de vruchtgebruiker en de erfpachter de eigendom van de afgescheiden vruchten.1 Zoals in het deel over het OBW is aangegeven, verkrijgen zij de eigendom op basis van een “recht van verwerving” dat verdisconteerd zit in hun beperkte rechten.2 Dit betekent dat de afgescheiden vruchten in beginsel onbezwaard worden verkregen. Na de afscheiding ontstaat een definitieve (juridische) breuk tussen het bestanddeel (de vrucht) en de oorspronkelijke zaak. Of beter gezegd, tussen het eigendomsrecht op de oorspronkelijke zaak en het eigendomsrecht op de afgescheiden zaak bestaat geen nauw verband, omdat laatstgenoemd recht voortgekomen is uit een beperkt recht. De afgescheiden vruchten kunnen uiteraard bezwaard zijn. Als de vruchtgebruiker bijvoorbeeld een pandrecht heeft gevestigd op zijn toekomstige vruchten, dan komt dat zekerheidsrecht na de afscheiding op de vruchten te rusten. Uiteraard alleen voor zover de vruchtgebruiker zelf recht heeft op deze vruchten. Wat voor de vruchtgebruiker geldt, geldt voor alle zakelijk gerechtigden en de bezitter te goeder trouw. Ondanks dat het bezit geen “recht” is, geldt dat de bezitter eigenaar wordt van de afgescheiden vruchten.3 Dit eigendomsrecht verwerft de bezitter te goede trouw eveneens op basis van een “recht van verwerving”. De band met het oorspronkelijke eigendomsrecht ontbreekt, waardoor hij onbezwaard de vruchten verkrijgt.
Een andere wettelijke uitzondering geldt als de verkrijger van een afgescheiden deel wordt beschermd tegen een eigendomsrecht of eventuele beperkte rechten, omdat hij een buitenstaander is. Als iemand een bestanddeel koopt en als dit vervolgens na de afscheiding aan hem wordt geleverd, dan verkrijgt hij het bestanddeel onbezwaard. Althans, voor zover hij wordt beschermd op grond van art. 3:86 BW.4 B koopt van A de motor uit diens auto. Als B niet op de hoogte was van het pandrecht dat op de auto rustte, verkrijgt hij deze motor na levering onbezwaard in eigendom. Deze uitzondering op de hoofdregel geldt alleen bij roerende zaken, niet-registergoederen, aangezien art. 3:86 BW betrekking heeft op deze soort zaken. Zo geldt de bescherming van 3:86 BW niet als een verkrijger van een vordering niet op de hoogte was van een pandrecht op de vordering.5 Op vorderingen is art. 3:86 lid 2 BW niet van toepassing. Evenmin wordt een verkrijger van een registergoed beschermd tegen “onverwachte” zakelijke rechten, als hij in de registers de zakenrechtelijke status van een zaak had kunnen nagaan.6 Hij kan bijvoorbeeld geen beroep doen op de goede trouw als hij in de registers had kunnen zien dat een beperkt recht op een stuk grond rustte, waarvan een gedeelte via splitsing aan hem is overgedragen. De wet voorziet niet in een beschermingsartikel. Bij een juridische splitsing is het overduidelijk dat deze regel geldt. Voor afscheiding geldt over het algemeen hetzelfde. Als B bijvoorbeeld een motor koopt uit een geregistreerde boot waarop een beperkt recht rust, dan geldt in beginsel dat hij deze motor bezwaard verkrijgt als hij wist waar de motor vandaan kwam. Dit is anders als de boot bezwaard is met een hypotheekrecht. Zolang de hypotheekhouder de motor in bezit heeft, luidt de fictie dat de zaak onder het hypotheekrecht valt. Na de verkoop en levering aan de koper bestaat deze fictie niet langer en valt de motor niet langer onder het hypotheekrecht.
Naast bovengenoemde uitzonderingen op de hoofdregel kent het BW nog diverse afscheidingsrechten: de zogenaamde iura tollendi en daarnaast een aantal impliciete afscheidingsrechten.
Tussenconclusie
De wettelijke basis van eigendomsverkrijging na afscheiding is te vinden in art. 5:1 lid 3 BW. Dit artikel is weliswaar van toepassing op afgescheiden vruchten, maar bevat eveneens de algemene regel van afscheiding. Deze hoofdregel luidt: de eigenaar van de eenheidszaak wordt eigenaar van het afgescheiden bestanddeel. Na de afscheiding verkrijgt hij een nieuw afzonderlijk eigendomsrecht erbij. De eigenaar van de eenheidszaak verkrijgt de eigendom van het afgescheiden bestanddeel omdat hij eigenaar is van de eenheidszaak. Het eigendomsrecht op deze zaak en op het afgescheiden bestanddeel zijn niet los van elkaar te zien. Door deze nauwe verwantschap heeft het nieuwe eigendomsrecht dezelfde eigenschappen als het eigendomsrecht op de eenheidszaak. Dit betekent dat het nieuwe eigendomsrecht bezwaard is met dezelfde beperkte rechten als waarmee de eenheidszaak bezwaard is. Zowel het eigendomsrecht als de beperkte rechten worden materieel gecontinueerd.
Een uitzondering op deze regel is van toepassing als de “bezwaring” op het afgescheiden deel niet in het wettelijke systeem past. Een voorbeeld hiervan is het hypotheekrecht dat niet op het afgescheiden deel kan rusten, aangezien dit deel een roerende zaak is geworden. Zolang de afgescheiden roerende zaak zich in de macht van de hypotheekgever bevindt, blijft zij nog onder het hypotheekrecht vallen. Niet valt in te zien dat door de enkele afscheiding een oorspronkelijk bestanddeel onder de sluier van het hypotheekrecht uit kan “kruipen”. Het afgescheiden deel blijft voorlopig nog een onroerende zaak (naar bestemming). Als de zaak door levering echter uit de macht geraakt en een derde te goeder trouw haar verkrijgt, valt zij niet meer binnen het bereik van het hypotheekrecht. Dan treedt art. 3:86 BW in werking.
Tussen afscheiding en splitsing bestaat geen verschil in rechtsgevolg. Omwille van de duidelijkheid is het beter om te spreken van afscheiding als een of meer onderdelen fysiek worden verwijderd en vervolgens geen bestanddeel meer zijn van de zaak. Dit ter onderscheiding van de juridische splitsing die wel dezelfde rechtsgevolgen heeft, maar waarbij geen sprake is van een fysieke verwijdering.
Voor de beperkt gerechtigde geldt dezelfde hoofdregel als voor de eigenaar: de beperkte rechten die op de oorspronkelijke zaak rustten, komen eveneens op de nieuwe zaken te rusten. Na de afscheiding ontstaan nieuwe eigendomsrechten respectievelijk nieuwe beperkte rechten. Deze hebben dezelfde eigenschappen als de zakelijke rechten van de hoofdzaak waarvan ze afstammen. Op deze hoofdregel zijn uitzonderingen mogelijk. In het navolgende staat de figuur van de zakenrechtelijke afscheiding centraal.