Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.2.2
2.2.2 Medezeggenschap ‘aan de voet’, medezeggenschap ‘aan de top’ en vennootschappelijke medezeggenschap
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS481361:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Van Meurs 1932, p. 12 e.v. Medezeggenschap doorbreekt volgens Van Meurs alleen-zeggenschap, en brengt het recht het mede iets te zeggen te hebben (p. 7).
Kamerstukken II, 1969-1970, 10 355, nr. 6, p. 8
Honée 1981, p. 81.
Honée 1981, p. 81; De Bijll Nachenius 1994, p. 263; Coolen/Walgemoed 2005, p. 55; en Verburg 2007a, p. 25.
Kamerstukken II 1970-1971, 10 400, 10 689, 10 751 en 11 174, nr. 202b, p. 4.
Verburg 2007a, p. 25.
Slagter 2005, p. 434.
De Nijs Bik 2004, p. 13.
Buijs 2000, besproken door Rood (Rood 2000, p. 305).
Overigens gebruikt ook Verburg (2007a, p. 25) de woorden ‘van bovenaf’, om daarmee aan te geven wat onder medezeggenschap ‘aan de top’ verstaan moet worden.
Kamerstukken II 1975-1976, 13 873, nr. 3, p. 11.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 873, nr. 7 p. 15.
Timmerman 2004, p. 4 e.v.; De Kluiver 2004, p. 83; Verburg 2007a, p. 26; Dorresteijn/Van het Kaar 2008, p. 169; Roest 2007, p. 708 e.v.; en Laagland 2010, p. 51 en p. 53.
SER-advies 08/01.
Rood 2000, p. 305 en Buijs 2004, p. 268.
Van het Kaar 2009, p. 4.
Roest 2007, p. 708.
SER-advies 08/01, p. 7-8.
Richtlijn 2005/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van Europa betreffende grensoverschrijdende fusie van kapitaalvennootschappen, PbEU L 310/1, laatstelijk gewijzigd door Richtlijn 2009/109/EG van het Europees Parlement en de raad van 16 september 2009, PbEU L 259/14.
De Wet rol werknemers bij Europese rechtspersonen.
Is de bestuurder van de onderneming tevens bestuurder van de vennootschap, dan heeft het adviesrecht ex art. 30 WOR betrekking op een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders of van de raad van commissarissen (art. 2:162/272 BW). En wordt de statutaire verdeling van de bevoegdheden tussen de organen van de vennootschap gewijzigd, dan zou sprake kunnen zijn van een adviesrecht (ex art. 25 lid 1 en onder e WOR) dat betrekking heeft op een besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders. Toch beschouw ik het adviesrecht in deze voorbeelden niet als een vorm van vennootschappelijke medezeggenschap, omdat de ondernemingsraad aan de art. 25 en 30 WOR geen directe en gerichte aanspraken jegens de betreffende organen ontleent.
In een tijd dat medezeggenschap van werknemers nog in de kinderschoenen staat, maakt Van Meurs een onderscheid tussen medezeggenschap aan de voet en medezeggenschap aan de top.1 Het gaat daarbij om medezeggenschap bij de uitvoering van de werkzaamheden en de omstandigheden waaronder die dienen te geschieden (door Meurs ook wel de inwendige gang van zaken genoemd) resp. om medezeggenschap bij het scheppen en behouden van voorwaarden die er toe leiden dat het bedrijf van binnen en naar buiten in zo gunstig mogelijke economische omstandigheden verkeert. In relatie tot de Wet op de ondernemingsraden tref ik de term ‘voet’ voor het eerst in de Memorie van Antwoord bij het in 1969 ingediende wetsvoorstel tot wijziging van de wet. De betrokken ministers geven daarin te kennen dat zij de medezeggenschap zoveel mogelijk ‘naar de voet’ willen brengen, dat wil zeggen naar de afzonderlijke werkgemeenschappen.2 Honée ziet hierin de verklaring voor het feit dat de wet voor de beschrijving van zijn toepassingsgebied geen aansluiting zoekt bij de juridische organisatievorm, maar in art. 1 lid 1 en onder c WOR uitgaat van een geheel eigen begrip onderneming.3 Ik deel die mening. De juridische organisatievorm kan veel meer omvatten dan een onderneming of veel meer dan één onderneming in de zin van art. 1 lid 1 en onder c WOR. Zo kan één vennootschap diverse activiteiten ontplooien, waarvan er slechts één enkele een onderneming in de zin van de WOR is. Evenzeer kan één vennootschap meerdere zelfstandige ondernemingen in stand houden die voldoen aan de criteria om een ondernemingsraad in te stellen. Door niet bij de rechtspersoon, maar bij de onderneming aansluiting te zoeken wordt bewerkstelligd dat de medezeggenschap op een zo laag mogelijk niveau wordt vormgegeven.
In navolging van de ministers spreken diverse schrijvers van medezeggenschap ‘aan de voet’ als het gaat om de medezeggenschap die vorm wordt gegeven door de Wet op de ondernemingsraden.4 Met het gebruik van de term beogen zij tot uitdrukking te brengen dat de Wet op de ondernemingsraden de medezeggenschap van onderaf opbouwt. Daarbij is de kleinst denkbare eenheid waarbinnen een vorm van georganiseerde medezeggenschap kan worden uitgeoefend niet de onderneming, maar dat zijn de als zodanig te identificeren onderdelen. De ondernemingsraad kan daarvoor onderdeelcommissies instellen (art. 15 lid 3 WOR). Indien dit bevorderlijk is voor een goede toepassing van de wet, heeft de ondernemer voor een onderdeel van de onderneming zelfs een afzonderlijke ondernemingsraad in te stellen (art. 4 WOR). Sprekend voor de opbouw van medezeggenschap ‘vanaf de voet’ is ook de regeling van de groepsondernemingsraad en de centrale ondernemingsraad in art. 35 WOR: slechts die aangelegenheden worden aan de medezeggenschap van de onderliggende ondernemingsraden onttrokken die gelden voor alle of voor de meerderheid van de ondernemingen. De term medezeggenschap ‘aan de top’ treffen we in relatie tot betrokkenheid van werknemersvertegenwoordigers bij de samenstelling van de leiding of van het toezicht op de leiding van de onderneming. Met ‘de top’ wordt beoogd tot uiting te brengen dat het gaat om een vorm van medezeggenschap aan de top, in de structuur van de rechtspersoon. Zie het Eindverslag van de vaste Commissies voor Economische Zaken en voor Justitie van de Eerste Kamer met betrekking tot een aantal wetsvoorstellen, waaronder dat tot invoering van de structuurregeling,5 maar onder meer ook Verburg,6 Slagter7 en De Nijs Bik.8 Medezeggenschap ‘aan de top’ wordt, wellicht omdat die hoofdzakelijk vorm wordt gegeven in Boek 2 BW, ook wel aangeduid als vennootschappelijke medezeggenschap. Ik kom daarover aanstonds nader te spreken.
Bij het gebruik van de aanduidingen ‘aan de voet’ en ‘aan de top’ is enige terughoudendheid op zijn plaats. Zo vind ik de term medezeggenschap ‘aan de top’ minder gelukkig, omdat daarmee de indruk wordt gewekt dat reeds met beïnvloeding van de samenstelling van de raad van commissarissen medezeggenschap wordt uitgeoefend. Medezeggenschap wordt echter niet in de ondernemer, maar in de onderneming uitgeoefend. In dat licht spreek ik liever van medezeggenschap via de top dan van medezeggenschap aan de top, dan wel hooguit, met Buijs,9 van medezeggenschap van bovenaf.10 De wetgever uit zich in de Memorie van Toelichting bij de Grondwetswijziging van 1983 in soortgelijke bewoordingen: ‘Zo zal in bepaalde gevallen medezeggenschap door middel van een inbreng in een toporgaan in de rede liggen, terwijl in andere gevallen medezeggenschap aan de voet de voorkeur verdient.’.11 Diezelfde wetgever spreekt in de Memorie van Antwoord van ‘medezeggenschap … via ondernemingsraden en [via, JvM] werknemerscommissarissen in de raden van commissarissen (ondernemingsniveau)’.12 Een bijkomend bezwaar tegen het (exclusieve) gebruik van de term medezeggenschap ‘aan de top’ voor die welke is vorm gegeven in de structuurregeling, is gelegen in het feit dat daarmee de indruk wordt gewekt dat de Wet op de ondernemingsraden uitsluitend de medezeggenschap aan de voet regelt. Ook de medezeggenschap die wordt vorm gegeven door de wet op de ondernemingsraden heeft echter kenmerken van medezeggenschap aan dan wel via de top. Daarbij denk ik allereerst aan de top als plaats van uitoefening van (concern)zeggenschap. Dit zien we bij ingewikkelde medezeggenschapsstructuren met groepsondernemingsraden en een centrale ondernemingsraad met hun eigen bevoegdheden.13 Beïnvloeding van de gang van zaken binnen de onderneming vindt dan voor een deel op een niveau plaats dat men zou kunnen aanduiden als ‘de top’, nl. de top van (doorgaans) het concern. Een vorm van in de Wet op de ondernemingsraden geregelde medezeggenschap via de top zie ik ook in de verplichte aanwezigheid van commissarissen van de vennootschap of van de bestuurders van de moedervennootschap bij bepaalde overlegvergaderingen (art. 24 lid 2 WOR).
Zou men de medezeggenschap die voornamelijk gestalte krijgt in de structuur van de vennootschap met een aparte benaming willen aanduiden, dan geef ik de voorkeur aan de zojuist al genoemde aanduiding vennootschappelijke medezeggenschap, een term die in de literatuur wordt gebruikt,14 maar evenzeer door de SER in zijn advies Evenwichtig Ondernemingsbestuur.15 Men spreekt ook wel van rechtspersonenrechtelijke medezeggenschap16 of van medezeggenschap in de vennootschap.17 Over de vraag wat onder vennootschappelijke medezeggenschap verstaan moet worden laten de meeste schrijvers zich niet met zoveel woorden uit, anders dan dat duidelijk is dat de structuurregeling daaronder valt. Slechts Roest geeft een specifieke omschrijving: invloeduitoefening op de samenstelling van het toezichthoudend orgaan (dualistisch model) of op het bestuursorgaan (monistisch model).18 In het SER-advies Evenwichtig Ondernemingsbestuur wordt vennootschappelijke medezeggenschap, als tegenpool van ondernemingsrechtelijke medezeggenschap (medezeggenschap in de onderneming), eerst omschreven als medezeggenschap van werknemers bij de inrichting van bestuur en toezicht van vennootschappen, iets verderop als werknemersinvloed op de samenstelling van het interne toezicht.19 Art. 16 lid 1 van de Tiende Richtlijn heeft het over een vennootschap die is onderworpen aan voorschriften betreffende werknemersmedezeggenschap,20art. 2:333k lid 2 BW over medezeggenschap die op de vennootschap van toepassing is, art 1:18 lid 3 WRW-ER21 over een overeenkomst die onder meer bepalingen bevat inzake het aantal van de leden in het toezichthoudend of het bestuursorgaan van de SE die de werknemers gerechtigd zijn te kiezen of te benoemen, of met betrekking tot wier benoeming zij aanbevelingen kunnen doen of bezwaar kunnen maken.
Onder vennootschappelijke medezeggenschap versta ik beïnvloeding door de gezamenlijke werknemers, vooraf en in georganiseerd verband, van de gang van zaken binnen de onderneming door middel van directe en gerichte betrokkenheid bij de vennootschappelijke beleids- en besluitvorming. In de kwalificatie ‘directe en gerichte’ komt tot uiting dat de ondernemingsraad bij vennootschappelijke medezeggenschap, anders dan in de Wet op de ondernemingsraden, geen aanspraken heeft jegens de ondernemer, maar jegens bepaalde organen van de ondernemer.22De bepalingen inzake de structuurregeling (met name art. 2:158/268 leden 4 t/m 8 BW, maar ook art. 2:161a/271a lid 2 BW) en die inzake het spreekrecht in de algemene vergadering van aandeelhouders van de naamloze vennootschap bij benoeming van bestuurders en commissarissen (artt. 2:134a en 144a BW) zijn een vorm van vennootschappelijke medezeggenschap met betrekking tot de samenstelling van organen van de vennootschap. Vennootschappelijke medezeggenschap is echter méér dan dat. Men moet óók denken aan medezeggenschapsrechten van de ondernemingsraad met betrekking tot bepaalde inhoudelijke besluiten van de algemene vergadering van aandeelhouders van de naamloze vennootschap (vgl. de art. 107a lid 3 en 2:135 lid 2 BW). Om het beeld volledig te maken, is het goed vast te stellen dat vennootschappelijke medezeggenschap zowel kenmerken van directe medezeggenschap (de art. 2:107a, 2:134a en 2:144a, en 2:135 lid 2) als van indirecte medezeggenschap (de art. 2:134a en 2:144a BW en de bepalingen inzake de structuurregeling) vertoont.