Douanewaarde in een globaliserende wereld
Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/6.4.3.1:6.4.3.1 Toepassingsbereik
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/6.4.3.1
6.4.3.1 Toepassingsbereik
Documentgegevens:
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258588:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 73, onderdelen a en b, DWU.
Een verklaring voor de benaming houdt verband met het feit dat voor de toepassing van de forfaitaire waarde vaststelling onder het CDW-wetgevingspakket een vergunning moest worden aangevraagd ex artikel 156bis TCDW.
Commissie Transfer pricing en btw, Transfer Pricing en btw. De effecten van transfer pricing aanpassingen op de heffing van btw, Geschrift nr. 259 van de Vereniging voor Belastingwetenschap 2019, p. 129.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Douaneautoriteiten kunnen toestaan om de douanewaarde te bepalen op ‘specifieke criteria’ (lees: een forfaitaire waarde) wanneer de bedragen die overeenkomstig artikel 70, lid 2, DWU (werkelijk betaalde of te betalen prijs) in de douanewaarde moeten worden begrepen of de elementen zoals bedoeld in de artikelen 71 en 72 DWU (bijtel- respectievelijk aftrekposten) niet meetbaar zijn.1 De beschikking die daaropvolgend wordt afgegeven wordt ook wel de ‘artikel 73-vergunning’ genoemd.2 De forfaitair waarde is ook meteen de definitieve douanewaarde; zij hoeft niet als voorlopig beschouwd te worden.3 Dit volgt niet met zoveel woorden uit het DWU, terwijl onder het CDW expliciet was bepaald dat de bedragen niet als voorlopig beschouwd moesten worden ex artikel 156bis, lid 1, laatste zin, TCDW. Toch meen ik dat dit onder het DWU niet anders is. Immers, artikel 73 DWU lijkt qua opzet op de opvolger van artikel 156bis TCDW en uit de opzet van het DWU kan niet worden afgeleid dat de wetgever heeft bedoeld om artikel 73 DWU op dit punt anders te laten functioneren dan artikel 156bis TCDW onder het CDW. Daarnaast zou, indien de opgegeven waarde bij toepassing van een artikel 73-vergunning niet als voorlopig wordt beschouwd, het onderscheid met de vereenvoudigde aangifte vervagen wat afbreuk zou doen aan de gedachte achter de vereenvoudigde aangifte en de artikel 73-vergunning. Bij de vereenvoudigde aangifte is het namelijk de bedoeling om de werkelijk betaalde of te betalen prijs te betalen op een later moment, terwijl bij de toepassing van een artikel 73-vergunning dit niet mogelijk is en er op basis van specifieke criteria een inschatting wordt gemaakt van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Het zou daarnaast de rangorde tussen de vereenvoudigde aangifte en de artikel 73-vergunning onnodig maken (onderdeel 6.4.3.4). De rangorde ontleent echter zijn bestaansrecht aan het feit dat bij toepassing van de vereenvoudigde aangifte de uiteindelijk opgegeven waarde in de aanvullende aangifte de werkelijk betaalde of te betalen waarde voor de ingevoerde goederen beter benadert dan de waarde die wordt vastgesteld bij toepassing van de forfaitaire waarde vaststelling. Daarom gaat de vereenvoudigde aangifte voor op de artikel 73-vergunning. Indien bij de toepassing van een artikel 73-vergunning achteraf nog een aanpassing achteraf zou plaatsvinden, zou dit de rangorde onnodig maken.
Doordat artikel 73 DWU ook verwijst naar de werkelijk betaalde of te betalen prijs, lijkt artikel 73 DWU ruimer in opzet dan zijn equivalent onder het CDW-wetgevingspakket. Op basis van artikel 156bis, lid 1, TCDW leek de forfaitaire waarde vaststelling namelijk alleen mogelijk voor wat betreft de waardering van de bijtel- en aftrekposten. De uitbreiding onder het DWU-wetgevingspakket lijkt de weg te openen om de douanewaarde vast te stellen op basis van een forfaitaire waarde indien de transactiewaarde van de ingevoerde goederen bijvoorbeeld gebaseerd is op een verrekenprijs die mogelijk is onderworpen aan (retroactieve) verrekenprijsaanpassingen (hoofdstuk 10).