Conversie en aandelen
Einde inhoudsopgave
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/16.2.7:16.2.7 Wettelijke zaaksvervanging na inning door verrekening met de stortingsplicht?
Conversie en aandelen (VDHI nr. 149) 2018/16.2.7
16.2.7 Wettelijke zaaksvervanging na inning door verrekening met de stortingsplicht?
Documentgegevens:
mr. P.H.N. Quist, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. P.H.N. Quist
- JCDI
JCDI:ADS371828:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien een verpande vordering wordt verrekend met de stortingsplicht op aandelen, kan de vraag worden gesteld of dit met zich meebrengt dat op de uitgegeven aandelen van rechtswege een pandrecht komt te rusten op grond van de wettelijke zaaksvervangingsregel van artikel 3:246 lid 5 BW. Op grond van dit artikellid komt een pandrecht immers te rusten op het bevoegdelijk geïnde. Ik denk dat hier, evenzeer als in het geval van verrekening van een met vruchtgebruik belaste vordering, geen sprake van kan zijn. In economische zin valt weliswaar ook hier te zeggen dat de aandelen in plaats komen van de vordering, de aandelen kunnen daarmee nog niet worden aangemerkt als het geïnde. De aandelen zijn door de vennootschap uitgegeven op grond van een door het daartoe bevoegde orgaan genomen besluit. De stortingsplicht voldoet de aandeelhouder met toestemming van de vennootschap door verrekening van zijn verpande vordering op de vennootschap, welke als een vorm van inning kan worden beschouwd. De aandelen vormen echter niet het geïnde. De vordering is geïnd en door verrekening tenietgegaan. Tenzij het een stil pandrecht betreft kan de aandeelhouder (pandgever van de vordering op de vennootschap) slechts rechtsgeldig tot verrekening overgaan als hij handelt met toestemming van de pandhouder of machtiging van de kantonrechter. Bij deze toestemming of machtiging zal in ogenschouw zijn genomen dat de zekerheid van de pandhouder komt te vervallen doordat het onderpand door verrekening tenietgaat. De aandelen volgen echter een geheel ander spoor en staan geheel buiten de verrekening van de verpande vordering. Tenzij de pandhouder van de vordering als voorwaarde voor zijn toestemming anders heeft bedongen, komt er voor zijn pandrecht op de vordering jegens de vennootschap niets in de plaats.
Artikel 3:229 BW bepaalt dat het recht van pand van rechtswege een pandrecht met zich meebrengt op alle vorderingen tot vergoeding die in de plaats treden van het verbonden goed, waaronder begrepen vorderingen ter zake van waardevermindering van het goed. Indien aandelen worden uitgegeven en de stortingsplicht wordt verrekend met een verpande vordering op de vennootschap, kan niet worden gesteld dat de aldus uitgegeven aandelen als vergoeding in de plaats treden van het verbonden goed. Eerder dient daarbij gedacht te worden aan vergoedingen uit hoofde van assurantievorderingen, vorderingen wegens overbedeling of uit onrechtmatige daad of vorderingen wegens het verlies van een goed wegens onteigening of de beëindiging van een recht. Bij verrekening van een vordering ontbreekt het vergoedingsaspect, waarmee de zaaksvervanging van artikel 3:229 BW buiten beeld blijft.