Einde inhoudsopgave
De verbintenisrechtelijke bescherming van de kleine opdrachtnemer (MSR nr. 85) 2023/2.7
2.7 Conclusie
N.M.Q. van der Neut, datum 22-09-2023
- Datum
22-09-2023
- Auteur
N.M.Q. van der Neut
- JCDI
JCDI:ADS855396:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Let op: de WML is een publiekrechtelijke regeling en zegt in zoverre dus niets over het verbintenisrechtelijke beschermingsniveau van de opdrachtnemer.
Deze gedachte is ook terug te zien bij de mededingingsrechtelijke uitzonderingen op het kartelverbod, in het bijzonder de economisch afhankelijke opdrachtnemer, alsook de situaties waarin niet wordt gehandhaafd, omdat sprake is van een duidelijk onevenwicht tussen de onderhandelingsmacht van de opdrachtnemers en hun opdrachtgevers.
De Wmz liep ook langs de assen van de individuele en collectieve beschermingsgedachte, bestaande uit het beschermen van het stijgende aantal opdrachtnemers dat in armoede leefde en het terugdringen van ongewenste concurrentie op beloning tussen zowel opdrachtnemers onderling als tussen opdrachtnemers en werknemers.
In dit hoofdstuk heb ik de inkomensbescherming van de opdrachtnemer geanalyseerd, meer specifiek het recht op loon, de hoogte van het loon en de tijdige en juiste betaling van het loon. De focus lag daarbij op de opdrachtnemer aan de onderkant, die van alle werkenden het meeste risico op armoede loopt en dus een groot belang heeft bij het tijdig ontvangen van voldoende loon. Afdeling 7.7.1 BW biedt de opdrachtnemer weinig inkomensbescherming door slechts te bepalen dat de opdrachtnemer ook zonder contractuele afspraak recht heeft op loon over de verrichte werkzaamheden (artikel 7:405 lid 1 BW). Deze bescherming kan buiten de muren van afdeling 7.7.1 BW meer reliëf krijgen en legt in ieder geval drie aspecten bloot die voor dit onderzoek relevant zijn.
In de eerste plaats wordt de opdrachtnemer aan de onderkant op het thema loon aanvullende bescherming geboden. Het algemene verbintenissenrecht geeft de opdrachtnemer aan de onderkant namelijk niet alleen een gefixeerde schadevergoeding in de vorm van wettelijke (handels)rente als het loon laattijdig wordt voldaan (artikel 6:119a lid 1 BW), maar ook is de contractsvrijheid ten aanzien van de betalingstermijn (verder) ingeperkt tot maximaal dertig dagen indien deze kleine opdrachtnemer een overeenkomst aangaat met een grote opdrachtgever (artikel 6:119a lid 6 BW). Daarnaast volgt uit het algemene verbintenissenrecht dat de opdrachtnemer bij niet-werken toch recht op loon kan hebben, namelijk als hij geen werkzaamheden heeft verricht door een oorzaak die aan de opdrachtgever is toe te rekenen (artikel 6:58 BW). De meest vergaande inkomensbescherming is afkomstig uit de WML,1 die uitsluitend de opdrachtnemer die buiten de uitoefening van bedrijf of buiten de zelfstandige uitoefening van beroep handelt (artikel 2 lid 2 aanhef en sub b WML), structureel beschermt door dwingendrechtelijk een ondergrens te stellen met betrekking tot de hoogte van het loon. Tegenover de aanvullende bescherming staan verschillende knelpunten. Zo geniet de opdrachtnemer aan de onderkant niet altijd de bescherming van een minimumtarief. Een poging tot de uitbreiding van deze reikwijdte liep bij de Wmz spaak op onder andere de complexiteit van de ontworpen conceptregels. Verder lijkt de opdrachtnemer aan de onderkant een instrument te missen waarmee hij daadwerkelijk een vuist kan maken bij een laattijdige loonbetaling. De wettelijke handelsrente lijkt de opdrachtnemer aan de onderkant in dit verband onvoldoende te beschermen. Op basis van enerzijds de aanvullende bescherming en anderzijds de geïdentificeerde knelpunten heb ik het aanvullende beschermingsniveau van de opdrachtnemer aan de onderkant omtrent het thema loon als ‘gemiddeld’ bestempeld.
In de tweede plaats is de bescherming van de opdrachtnemer aan de onderkant ten aanzien van het thema loon gestoeld op meerdere gedachten. De toepasselijkheid van de WML op een deel van de opdrachtnemers kent een dubbele ratio, die als het ware zowel een individuele als een collectieve beschermingsgedachte vertegenwoordigt. Zo heeft de opdrachtnemer het recht op het minimumloon zodra hij feitelijk in dezelfde economische positie als de werknemer verkeert. In zo’n geval ontbreekt immers een goede grond om hem anders dan werknemers te behandelen, zo luidt de individuele gedachte.2 Tegelijkertijd stond aan de basis van de uitbreiding van de WML tot opdrachtnemers een meer collectieve gedachte; door een deel van de opdrachtnemers onder de WML te laten vallen, wordt oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden tussen zowel opdrachtnemers onderling als tussen opdrachtnemers en werknemers voorkomen.3 Een meer algemene ongelijkheidscompensatie ligt ten grondslag aan de regeling inzake de wettelijke handelsrente, die de opdrachtnemer aan de onderkant tegenover de grote opdrachtgever compenseert door de betalingstermijn in die situatie (verder) in te perken tot maximaal dertig dagen (artikel 6:119a lid 6 BW). Door het verschil in ‘grootte’ wordt verondersteld dat tussen partijen een ongelijke verhouding bestaat. Die verhouding behoeft volgens de Europese wetgever correctie om te voorkomen dat de grote opdrachtgever misbruik maakt van zijn positie door de opdrachtnemer aan de onderkant te laten instemmen met een betalingstermijn die langer is dan hij eigenlijk wenst. Daarmee toont deze regeling niet alleen dat differentiatie aan de hand van de hoedanigheid van partijen in wetgeving mogelijk is, maar eveneens dat in business-to-business-relaties het beginsel van contractsvrijheid onder omstandigheden moet wijken voor het beginsel van bescherming van de zwakkere partij. Verder komt de profijt- en beïnvloedingsgedachte terug in het leerstuk van schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW).
In de derde plaats houden de loonregels op verschillende plaatsen rekening met de hoedanigheid van de opdrachtnemer tegenover die van de opdrachtgever of bestaat in ieder geval de ruimte de onderlinge hoedanigheid van partijen in ogenschouw te nemen. Ik wijs allereerst op de uitbreiding van de WML, die vooral verband houdt met de economische positie waarin de opdrachtnemer die buiten de uitoefening van bedrijf of buiten de zelfstandige uitoefening van beroep handelt, zich kan bevinden. Ook in het algemene verbintenissenrecht is hier expliciet een voorbeeld van te vinden. De betalingstermijn is namelijk dwingendrechtelijk begrensd tot maximaal dertig dagen als de overeenkomst is aangegaan tussen de opdrachtnemer die zich – in mijn bewoordingen – aan de onderkant bevindt (in de wettelijke systematiek de ‘mkb-onderneming’) en een ‘grote onderneming’ (artikel 6:119a lid 6 BW). Bij het leerstuk schuldeisersverzuim (artikel 6:58 BW) kan de rechter bij de invulling van toerekening op grond van de verkeersopvattingen, de partijbelangen tegen elkaar afwegen. Deze open norm biedt de ruimte om de (onderlinge) hoedanigheid van partijen in aanmerking te nemen, waaronder de economische afhankelijkheid van de opdrachtnemer aan de onderkant.