De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer
Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.5.2:3.5.2 De overeenkomsten tussen de Bureaus: het groenekaartstelsel
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/3.5.2
3.5.2 De overeenkomsten tussen de Bureaus: het groenekaartstelsel
Documentgegevens:
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS399512:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De beide overeenkomsten verschillen in bewoordingen enigszins. Deze verschillen komen aan de orde in par. 4.5.5.2 en 4.5.5.3. De overeenkomsten zijn als bijlagen 4 en 5 opgenomen.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 2.6.1 kwamen de thans geldende overeenkomsten tussen de groenekaartbureaus reeds kort ter sprake. Daar werd er reeds op gewezen dat er twee typen overeenkomsten bestaan: de tussen alle Bureaus, bilateraal gesloten overeenkomsten waarbij de groene kaart, het IVB, als voorwaarde voor de schaderegeling geldt en die waarin wordt geregeld dat niet het IVB bepalend is voor de vraag of de schade geregeld kan worden, maar de vraag of een voertuig ‘gewoonlijk is gestald’ op het grondgebied van een der contracterende Bureaus. In deze overeenkomsten, de Agreement between Member Bureaux of the Council of Bureaux (hierna de Agreement between Bureaux) respectievelijk de Agreement between the national insurers’ bureaux of the Member States of the European Economic Area and other Associate States (hierna Multilateral Agreement), verlenen de Bureaus elkaar over en weer machtiging om schaden te regelen en verklaren zij (delen van) de Internal Regulations op hun onderlinge verhoudingen van toepassing.1
Deze Internal Regulations fungeren als algemene voorwaarden. In een preambule en zeven secties regelen zij op zeer uitvoerige wijze de relaties tussen de Bureaus in verband met de behandeling en de vergoeding van schadegevallen, veroorzaakt door bezoekende motorrijtuigen.
De belangrijkste secties in dit verband zijn de Secties I tot en met III. Sectie I regelt een aantal algemene onderwerpen, zoals de bevoegdheden van het Bureau van het land van het ongeval om het schadegeval te behandelen, de verplichting van het Bureau dat uiteindelijk draagplichtig is om restitutie (door een van zijn leden of zelf) te garanderen, de wijze waarop deze restitutie dient plaats te vinden (waaronder termijnen) en de voor de praktijk zeer belangrijke bevoegdheid van de verzekeraar om in de landen waar hij dekking geeft een eigen ‘vertegenwoordiger’ aan te stellen die – voor zijn rekening en namens het Bureau van het land van het ongeval – de schade feitelijk regelt. Deze figuur staat bekend als de ‘benoemde correspondent’.
Sectie II is gewijd aan de groene kaart, het IVB. Geregeld wordt wanneer, onder welke voorwaarden en aan wie IVB’s mogen worden uitgegeven, hoe na een ongeval het bestaan van een geldig IVB moet worden bevestigd enwat de waarde is van valse en ongeoorloofd gewijzigde groene kaarten. Voor de praktijk wezenlijk is dat ook (bepaalde) valse en onbevoegd veranderde groene kaarten als geldig moeten worden beschouwd.
In Sectie III zijn de afspraken rond het begrip ‘gewoonlijk gestald’ te vinden. Ook hier vinden wij regels rond de vraag wat moet worden verstaan onder ‘gewoonlijk gestald’ (in zekere zin het equivalent van de geldige groene kaart) en de wijze waarop de Bureaus moeten bevestigen dat een voertuig in deze zin onder hun verantwoordelijkheid valt.
De Secties IV tot en met VII bevatten regels van meer formele aard: Sectie IV is gewijd aan de wijze waarop de eigenlijke overeenkomsten tussen de Bureaus moeten worden gesloten, Sectie V regelt de wijziging van de Internal Regulations, in Sectie VI is voorzien in een mediation- en arbitrageprocedure voor geschillen over de interpretatie van de overeenkomsten en Sectie VII regelt de inwerkingtreding van de Internal Regulations.
De overeenkomsten zijn contracten in privaatrechtelijke zin. In beginsel hebben zij dan ook alleen werking tussen de ondertekenende partijen, de Bureaus. Derden worden er niet door gebonden. Afspraken tussen de Bureaus kunnen de rechten van derden dus niet inperken. Hetzelfde geldt voor de nadere uitwerking waartoe de Bureaus in hun onderling overleg komen.
Een voorbeeld: voorwaarde voor de aansprakelijkheid van het NBM is, indien het ongeval is veroorzaakt door een voertuig uit een derde land (niet-lidstaat of daarmee gelijkgestelde staat), bijvoorbeeld Marokko, dat de bestuurder in het bezit is van een geldige groene kaart. De vraag wat daaronder moet worden verstaan, is in de loop der jaren in de Council nader uitgewerkt. Zou het NBM worden aangesproken en in een procedure aanvoeren dat de groene kaart als ongeldig moet worden beschouwd, zich daarbij baserende op de afspraken in Council-verband, dan is het NBM toch aansprakelijk ten opzichte van de benadeelde als de rechter van oordeel zou zijn dat het IVB toch geldig is, de afspraken binnen de Council ten spijt. De vraag naar de werking van de overeenkomst speelt dan vervolgens in de (regres)verhouding van het Nederlandse met het Marokkaanse Bureau.
De overeenkomsten hebben een zekere derdenwerking. Daarom hebben deze overeenkomsten wel degelijk relevantie voor de praktijk. De vragen van de werking van de overeenkomsten ten opzichte van derden komen nader aan de orde in de hoofdstukken 4 en 6.