De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.2:3.6.2 Academische vrijheid in de literatuur
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/3.6.2
3.6.2 Academische vrijheid in de literatuur
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949334:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Groen 2017, p. 44.
Groen 2017, p. 45.
Zoontjens 1993, p. 5.
Zoontjens 1993, p. 2.
KNAW 2021, p. 8
KNAW 2021, p. 10.
De Baets 2020, p. 15.
UNESCO-aanbeveling 1997, onder 17-21. Zie hierover ook R. van Gestel, ‘Academische vrijheid onder druk’, NJB 2024, afl. 1, p. 16.
UNESCO-aanbeveling 1997, onder 22-24.
UNESCO-aanbeveling 1997, onder 7.
De Baets 2020, p. 15 en UNESCO-aanbeveling, onder 1.
UNESCO-aanbeveling 1997, onder 28-29.
UNESCO-aanbeveling 1997, onder 33-36.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de literatuur bestaan verschillende opvattingen over de reikwijdte en de strekking van de academische vrijheid. Groen schrijft, in zijn proefschrift over academische vrijheid, dat deze vrijheid voornamelijk van belang is omdat wetenschap in een spanningsveld van verschillende belangen tot stand komt. Het is volgens Groen onvermijdelijk dat elke vorm van wetenschap die hobbyisme overstijgt, te maken krijgt met externe invloeden.1 Deze invloeden en belangen kunnen ertoe leiden dat methodische afwegingen gecorrumpeerd kunnen raken. De academische vrijheid dient dit te voorkomen. Wetenschap kan volgens Groen enkel aanspraak maken op wetenschappelijkheid als het in vrijheid kan geschieden.2 De academische vrijheid vrijwaart enerzijds individuele wetenschappers van dwang, maar anderzijds heeft de academische vrijheid ook een collectieve dimensie, namelijk het gezamenlijk vormgeven van idealen van wetenschappelijkheid.
Ook Zoontjens, die de term ‘vrijheid van wetenschap’ hanteert, vindt het belang van deze vrijheid in het mogelijk maken van ongebonden onderzoek. Zoontjens richt zich in zijn onderzoek voornamelijk op de wetenschappelijk onderzoeker en minder op de wetenschapper als docent. De vrijheid van wetenschap vereist volgens hem dat de wetenschappelijk onderzoeker ongebonden ten opzichte van zijn omgeving zijn taak vervult.3 Zoontjens schrijft dat anders dan de vrijheid van meningsuiting van de burger, die wordt gebaseerd op zijn persoonlijke autonomie, de vrijheid van meningsuiting van de wetenschapper haar grondslag vindt in de aard en kwaliteit van die mening.4 Die taak van de wetenschapper om ongebonden onderzoek te doen houdt in dat hij binnen de door de wetenschap getoetste procedure tot inzichten en gegevens van wetenschappelijke waarde moet komen die de toets van wetenschappelijke kritiek kunnen weerstaan. De wetenschapper dient zijn onderzoek ten slotte openbaar te maken. De vrijheid van wetenschap is volgens Zoontjens onontbeerlijk voor de ontwikkeling van de wetenschap. Bij wetenschap spelen echter niet enkel de belangen van de wetenschapper een rol, ook belangen van de samenleving spelen mee en kunnen aan de wetenschap eisen stellen.
In een onderzoek naar de academische vrijheid definieert de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) de academische vrijheid
“als het beginsel dat medewerkers aan wetenschappelijke instellingen in vrijheid hun wetenschappelijk onderzoek kunnen doen, hun bevindingen naar buiten kunnen brengen en onderwijs kunnen geven.”5
Hieronder wordt onder meer verstaan dat wetenschappers zelf invulling mogen geven aan het wetenschappelijk onderwijs. De academische vrijheid verbindt de KNAW aan de functie van wetenschapper, daarbuiten geldt deze vrijheid niet. Deze vrijheid is bovendien niet onbegrensd. De wetenschapper dient zich te houden aan de professionele normen van wetenschapsbeoefening. Deze zijn voor het wetenschappelijk onderzoek vastgelegd in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. Op deze code wordt niet dieper ingegaan omdat deze geen betrekking heeft op het geven van onderwijs. De KNAW geeft aan dat de academische vrijheid ook betrekking heeft op het geven van onderwijs. Bij het geven van onderwijs dienen wetenschappers hun studenten academische vrijheid te bieden.6 Dit bestaat uit het bieden van een veilige leeromgeving waarin ruimte is voor verschillende benaderingen en discussie op basis van argumenten.
Baets hanteert de Aanbeveling inzake de status van docenten in het hoger onderwijs van UNESCO (UNESCO-aanbeveling) als startpunt bij het beschrijven van de academische vrijheid.7 Deze op zich niet-bindende aanbeveling heeft volgens hem een grote mate van gezag verworven als standaard voor de academische vrijheid. In deze aanbeveling is het uitgangspunt dat onderwijs geven, onderwijs genieten en onderzoeken slechts volledig tot hun recht kunnen komen in een sfeer van academische vrijheid en autonomie voor instellingen. Open communicatie van vondsten, hypotheses en meningen liggen ten grondslag aan het hart van het hoger onderwijs en bieden de sterkste waarborgen voor accuraat en objectief onderzoek en onderwijs.
Onderdeel van de academische vrijheid is volgens de UNESCO-aanbeveling dat de instelling voor hoger onderwijs autonomie geniet, dit wordt institutionele autonomie genoemd.8 Daarbij wordt opgemerkt dat institutionele autonomie niet misbruikt mag worden om de autonomie van leraren te beperken. Tegenover de institutionele autonomie plaatst de UNESCO-aanbeveling de institutionele verantwoording.9 Gezien de grote financiële investeringen van de Staten in het hoger onderwijs dient er een balans te zijn tussen autonomie en verantwoording. De instellingen dienen hiertoe onder meer open te zijn over hun wijze van besturen.
In de UNESCO-aanbeveling wordt ervan uitgegaan dat hoger onderwijs een vorm van publieke dienstverlening is waarvoor personeel met expertise en specialistische vaardigheden nodig is die zijn verworven en worden onderhouden door diepgaande en levenslange studie en onderzoek.10 In deze aanbeveling wordt onder ‘personeel’ verstaan eenieder die betrokken is bij onderwijs, onderzoek en onderwijsdiensten aan studenten of de samenleving.11 Aan het personeel komt de academische vrijheid toe, waaronder onder meer wordt verstaan het recht om te onderwijzen en te onderzoeken zonder inmenging.12 De academische vrijheid gaat gepaard met de plicht om deze vrijheid te gebruiken voor een eerlijke zoektocht naar de waarheid.13 Ook dient het personeel zich te houden aan de internationaal erkende professionele eisen van intellectuele strengheid met betrekking tot onderwijs en onderzoek. Onderwijs en onderzoek zijn gebonden aan ethische en professionele standaarden. Zo dient het personeel onder meer een vrije uitwisseling van ideeën tussen henzelf en de studenten tot stand te brengen en eerlijk en onpartijdig het werk van studenten en collega’s te beoordelen. Het personeel kan niet gedwongen worden om tegen beter weten en geweten in te onderwijzen, het personeel moet daarom een belangrijke rol spelen bij het samenstellen van het curriculum.
Uit de literatuur blijkt dat het belang van de academische vrijheid wordt gevonden in het mogelijk maken van het doen van onderzoek en het geven en ontvangen van hoger onderwijs in een sfeer van vrijheid. De wetenschapper, docent en student, ofwel de dragers van de academische vrijheid, kunnen dan ook in beginsel ongedwongen onderzoek doen, onderwijs geven en onderwijs ontvangen. Wetenschap en hoger onderwijs zijn echter niet geheel vrij van inmenging. De wetenschapper en de docent zijn gebonden aan de professionele eisen voor onderwijs en onderzoek. Deze eisen worden idealiter door de beroepsgroep vastgesteld zodat een vorm van zelfregulering ontstaat. Voor onderzoek zijn deze eisen in Nederland vastgelegd in de Nederlandse gedragscode wetenschappelijke integriteit. Gezien de belangen van de samenleving in het wetenschappelijk onderzoek en het hoger onderwijs kan ook de Staat eisen stellen op macroniveau. Daarbij dient de Staat wel de academische vrijheid te respecteren.