Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/10.6.2
10.6.2 Vennootschap in faillissement
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS299032:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De curator behoeft bijvoorbeeld ook geen goedkeuring voor situaties zoals omschreven in artikel 2:107a BW, omdat alleen aan de curator het beheer over de boedel toekomt. Zie evenzo, maar dan wijzend naar commissarissen: Van der Heijden 1996, p. 68, waar wordt verwezen naar: Kortmann 1989, p. 109; Kortmann 1993, p. 141; Asser/Maeijer 1994, nr. 557. Het past ook niet in het wettelijk systeem van het faillissementsrecht dat een curator goedkeuring van aandeelhouders (of commissarissen) nodig heeft voor het verkopen van de activa. Zie ook Van der Korst, die aangeeft dat de aandeelhoudersvergadering in faillissement geen materiele inbreng meer heeft in de besluitvorming (Van der Korst 2014, p. 85).
Zie in dit verband: Van der Heijden 1996, p. 68-69; Kortmann 1993, p. 146 e.v. Zie voor een thans enigszins verouderd overzicht van de in faillissement aan de algemene vergadering van aandeelhouders toekomende bevoegdheden: Kortman 1993, p. 147.
HR 22 maart 1985, NJ 1985, 548 m.nt. Van der Grinten; HR 22 juli 1988, NJ 1988, 912.
Van der Feltz 1897, p. 2; Wessels 2010, p. 61.
Van der Heijden 1996, p. 63. Zie evenzo voor de raad van commissarissen in surseance: Van der Heijden 1996, p. 68.
Zie in dit verband hetgeen reeds overwogen in hoofdstuk 5, paragraaf 5.2 (met name de verwijzing naar Assink).
Niet alleen kan worden gedacht aan de positie van de aandeelhouder in een vennootschap waar het financieel niet goed gaat, maar ook aan de aandeelhouder van een vennootschap die reeds failliet is gegaan. Hoewel de algemene vergadering van aandeelhouders in de praktijk in deze situatie slechts een zeer geringe rol lijkt te spelen,1 blijft zij bestaan en behoudt zij bovendien haar bevoegdheden.2
Het faillissement is gericht op het verdelen van het vermogen van de schuldenaar (failliet) onder diens gezamenlijke schuldeisers3 en de curator dient zich bij het uitoefenen van zijn taak (het beheren en vereffenen van de boedel)4 te richten op de belangen van de schuldeisers. Het is de vraag of aandeelhouders desalniettemin in geval van faillissement nog de vrijheid hebben om hun eigen belang te behartigen. Ik meen van wel. Het bestuur dient ook in faillissement in beginsel nog steeds het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming te behartigen, aldus Van der Heijden.5 Wordt deze redenering gevolgd, dan ligt het voor de hand aan te nemen dat de aandeelhouder in beginsel zijn eigen belang mag (blijven) behartigen. De aandeelhouder heeft immers een andere positie dan het bestuur en staat relatief verder van de vennootschap.6
Dat vanuit economisch oogpunt het belang van de aandeelhouders in het faillissement tot nul is gereduceerd, doet mijns inziens niet af aan dit uitgangspunt. Het heeft naar mijn mening wel tot gevolg dat de aandeelhouder in verdergaande mate rekening moet houden met de belangen van de gezamenlijke schuldeisers. Het faillissement is immers ingericht op het – kort gezegd – liquideren van het vermogen van de vennootschap ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers en het economisch belang is, zoals gezegd, nihil. Verkeert de vennootschap in een staat van faillissement, dan is het vennootschappelijk belang gelijk aan het belang van de gezamenlijke schuldeisers.