Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.3
II.2.3 Delictsbestanddelen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460275:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kristen 2007, p. 114.
Zie omtrent de ‘gewilde spierbeweging’ en de ontwikkeling tot vergeestelijkte delicten ook hierna par. II.3.4.3.
De Hullu 2018, p. 75 e.v.
Zie par. II.3.4.
De Hullu 2018, p. 209.
Dit werd reeds benoemd in HR 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3, NJ 1954/378, m.nt. Röling (IJzerdraad); De Hullu 2018, p. 163, 165, 212. Voor rechtspersonen ligt dit iets anders; hierbij kan opzet of schuld wel worden afgeleid uit het handelen van personen binnen de rechtspersoon.
De Hullu 2018, p. 213. Ook bij overtredingen zonder subjectief bestanddeel staat de verdachte een beroep vrij op afwezigheid van alle schuld. Zie hierna onder elementen.
In eerdere publicaties gebruikte ik de aanduiding ‘kwaliteitsbestanddeel’. Ik heb er voor gekozen om van nu af aan te spreken van kwalitatieve bestanddelen, omdat bij de andere bestanddelen ook steeds sprake is van een woordgroep met een bijvoeglijk naamwoord en zelfstandig naamwoord, in plaats van een samenstelling.
De pleger moet immers zelf alle bestanddelen van de delictsomschrijving vervullen. Een niet-normadressaat kan wel deelnemen aan een kwaliteitsdelict. Zie verder onder par. II.2.5, par. II.3 en par. II.5.
Zie bijvoorbeeld Kristen 2007, p. 117 onder verwijzing naar Smidt I, 1881, p. 416.
Voorbeelden hiervan komen aan bod in par. II.2.6.2.
Strafrechtelijke aansprakelijkheid is alleen mogelijk wanneer er sprake is van een strafbaar feit, en er is pas sprake van een strafbaar feit wanneer alle vereisten van de delictsomschrijving zijn vervuld. De aansprakelijkheidsvoorwaarden waaruit een delictsomschrijving is opgebouwd, worden ook wel bestanddelen genoemd. Er bestaan drie soorten bestanddelen: objectieve-, subjectieve- en kwalitatieve bestanddelen. Elk type bestanddeel heeft een eigen functie, en voor de beantwoording van de vraag of in een concreet geval de bestanddelen van het delict zijn vervuld is het van belang om de verschillende bestanddelen te kunnen onderscheiden en te begrijpen. Daarom ga ik hierna kort in op de kenmerken van objectieve-, subjectieve- en kwalitatieve bestanddelen.
Zoals de naam doet vermoeden, zien objectieve bestanddelen op objectieve omstandigheden – of zoals Kristen het noemt: de ‘uitwendig kenbare omstandigheden’1 –die een situatie strafbaar maken. Een belangrijke verschijningsvorm van objectieve bestanddelen, is de gedraging die in het delict verboden wordt gesteld (ook wel delictsgedraging genoemd). Van oudsher ziet de delictsgedraging op een (gewilde) spierbeweging,2 maar deze fysieke benadering van de delictsgedraging moet thans genuanceerd worden. Bij zogenaamde ‘omissiedelicten’ wordt niet een bepaalde (fysieke) handeling, verboden gesteld, maar is juist een bepaald soort nalaten verboden. Het tegenovergestelde van een omissiedelict is een ‘commissiedelict’; bij dergelijke delicten is juist wel een bepaald soort actief handelen verboden. Ook zijn er tussenvarianten die handelen noch nalaten betreffen, zoals het ‘aanwezig hebben’ van een bepaald verboden goed, of het laten voortbestaan van een verboden situatie.3 Soms wordt het verboden handelen of nalaten in de delictsomschrijving begeleid door specifieke, bijkomende omstandigheden, bijvoorbeeld een bepaald gevolg dat moet intreden voordat er sprake is van strafbaar handelen. Een delict kan dus meerdere objectieve bestanddelen bevatten. Het geheel aan objectieve bestanddelen wordt door De Hullu treffend ‘de objectieve zijde van het delict genoemd’. Objectieve bestanddelen zoals de delictsgedraging kunnen worden toegerekend aan een ander, waarover hierna meer.4
Bij subjectieve bestanddelen gaat het niet om het handelen (of nalaten) van de dader, maar om de persoon van de dader.5 Een subjectief bestanddeel stelt eisen aan de geestesgesteldheid of mentale toestand van de persoon ten tijde van het verrichten van de verboden handeling; namelijk of de persoon handelde met opzet of schuld. Ik ga in paragraaf II.2.7 uitgebreid in op opzet en schuld, maar heel kort gezegd houdt opzet (dolus) in dat de dader willens en wetens heeft gehandeld, of in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans op een strafbaar gevolg van zijn handelen heeft aanvaard, en is er bij schuld (‘culpa’) sprake van aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid zijdens dader. Omdat bij het subjectieve bestanddeel de persoon van de dader centraal staat, moet bij een natuurlijk persoon die wordt aangesproken als pleger de vereiste schuld of het opzet zelf aanwezig zijn; toerekening is niet mogelijk.6 Niet elk delict bevat een subjectief bestanddeel: voor overtredingen is doorgaans geen opzet of schuld vereist. In een dergelijk geval mag de verwijtbaarheid worden verondersteld, maar kan de verdachte nog wel een beroep doen op een schulduitsluitingsgrond.7 Voor het bijzonder milieustrafrecht is de aanwezigheid van schuld of opzet van belang om te bepalen of een verboden gedraging kan worden aangemerkt als overtreding dan wel misdrijf (art. 2 lid 1 WED). Indien een milieudelict wordt tenlastegelegd als misdrijf, dient men dus in gedachten een subjectief bestanddeel toe te voegen aan het geschonden milieuvoorschrift.
Ten slotte hebben sommige delictsomschrijvingen een kwalitatief bestanddeel. Het kwalitatieve bestanddeel (ook wel bekend als kwaliteitsbestanddeel8) stelt eisen aan de hoedanigheid van de dader. Dat betekent dat de verplichting uit een norm niet geldt voor iedereen, maar alleen voor personen die de hoedanigheid uit het kwalitatieve bestanddeel bezitten. Degene tot wie de norm is gericht, wordt de normadressaat genoemd. Alleen de normadressaat kan het kwalitatieve bestanddeel vervullen, dat betekent dat alleen de normadressaat een kwaliteitsdelict (een delict met een kwalitatief bestanddeel) kan plegen.9 Normadressaatschap kan logischerwijs niet worden toegerekend aan personen die niet zelf over de vereiste kwaliteit beschikken; dan zouden kwalitatieve bestanddelen niet het beoogde selectieve effect hebben. Hierna ga ik in paragraaf II.2.6 nader in op het normadressaatschap in het strafrecht.
Over de precieze dogmatische inbedding van kwalitatieve bestanddelen is discussie mogelijk. Sommige auteurs rekenen kwalitatieve bestanddelen tot de objectieve zijde van het delict.10 Maar gelet op een aantal kenmerken van kwalitatieve bestanddelen, heb ik besloten om ze naast in plaats van onder de objectieve zijde van het delict te plaatsen. Dat is in de eerste plaats omdat de vereiste kwaliteit niet altijd een omstandigheid betreft die uiterlijk waarneembaar is, zoals objectieve bestanddelen dat meestal wel zijn. Maar wellicht nog belangrijker, is dat het kwalitatieve bestanddeel een bestanddeel is dat de verdachte persoonlijk dient te vervullen. Dit in tegenstelling tot andere objectieve bestanddelen, die functioneel kunnen worden uitgelegd of kunnen worden toegerekend (zoals het geval is bij de delictsgedraging), of kunnen worden ingevuld zonder dat de pleger hier persoonlijk aan te pas komt (onpersoonlijke omstandigheden zoals gevolgen van de gedraging). Een kwalitatief bestanddeel heeft dus een ander karakter dan objectieve bestanddelen, en ook een eigen wijze waarop het moet worden vervuld. Een derde argument voor de nevengeschikte plaatsing van het kwalitatieve bestanddeel, is dat het naar mijn idee overzichtelijker wordt wanneer het verbod of gebod in de norm (objectieve zijde) en normadressaatschap (kwalitatieve zijde) worden onderscheiden. Dit kan voorkomen dat de adressering van de norm in de plaats komt van de delictsgedraging, en andersom, zoals nog regelmatig gebeurt in de jurisprudentie en literatuur.11
In het kader van dit proefschrift is enige kennis van de delictsbestanddelen nodig, want het antwoord op de vraag of en door wie de delictsbestanddelen worden vervuld heeft invloed op de daderschapsvormen die van toepassing zijn, en de daderschapsvorm bepaalt welke criteria gelden voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van leidinggevenden.