De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.2.3.3:12.2.3.3 De motieven van de Duitse en Engelse wetgever nader beschouwd
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/12.2.3.3
12.2.3.3 De motieven van de Duitse en Engelse wetgever nader beschouwd
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS366523:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, § 8.2.1.
Zie het citaat uit Law Commission (1998) in § 9.3.3.1.
Kritisch zijn o.a. Stmer, NJW 1994, p. 2; Westerhoff, ZG 1994, p. 97; Haug, diss., p. 40 en Amann, DNotZ 1993, p. 93. Instemmend is Brüggemeier 1994, p. 47. Ook de Deutsche Juristentag 1994 gaf de voorkeur aan differentiatie.
Zie § 9.3.3.1
HR 3 november 1995, NJ 1998, 380.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De wetgever die personenschade aan de objectieve termijn onttrekt, moet van mening zijn dat de belangenafweging waarop zijn regel is gebaseerd in geval van personenschade anders uitpakt dan bij andersoortige vorderingen. Preciezer gezegd: het belang van de gedaagde moet aan gewicht verliezen en/of het belang van de eiser moet aan gewicht winnen. Waarom anders een personenschadegunstig regime?
De Duitse wetgever noch de Engelse Law Commission bepleit dat het voor de positie van de debiteur enig verschil maakt welk soort vordering hij tegen zich gericht krijgt. Sterker, aan de positie van de debiteur wordt geen woord gewijd. Dat maakt een onevenwichtige indruk, in het bijzonder doordat in de algemene beschouwingen over een objectieve termijn de positie van de aangesprokene welhaast zelfstandig doorslaggevend leek te zijn. Met name in de redenering van de Law Commission valt dit op. De eerst zo geprononceerde belangen van de aangesprokene worden afgedaan met het enkele "despite the arguments cited above ".
Met name waar het probleem van de afkalvende bewijspositie betreft, is dat niet zo sterk — het kwam in de Duitse literatuur al aan de orde. Een van de twee functies van verjaring is het voorkomen van onterechte veroordelingen wegens teloorgegaan bewijs:1 die functie is in geval van personenschade even wezenlijk als in andere gevallen. Bewijsmiddelen omtrent, bijvoorbeeld, een auto-ongeluk, weerstaan de tand des tijds niet beter dan bewijsmiddelen betreffende laat ons zeggen de bouw van een schoorsteen. Ik breng tevens in herinnering de 28 jaar na de ingreep aangesproken arts en zijn lotgenoten, wier bewijsproblemen de Law Commission in zijn Consultation Paper nog zo prangend deed voorkomen.2 Door te vooronderstellen dat er sprake is van de inbreuk op een hoog rechtsgoed, dreigen wij het belang van bescherming tegen een afgekalfde bewijspositie te vergeten.
Een gelijk belang bij verjaring van de aangesprokene dus, of het nu op personenschade gaat of om iets anders. Dat betekent dat de rechtvaardiging van differentiatie in het toegenomen belang van de benadeelde zou moeten liggen. In de weergegeven citaten zijn drie passages aan te wijzen die het belang van de benadeelde inderdaad sterk aanzetten. Ik bespreek ze achtereenvolgens.
Ten eerste. Wij zagen dat de Duitse wetgever over inbreuk op hogere rechtsgoederen schrijft "Eine Verletzung dieser Rechtsgilter führt nicht selten erst nach vielen Jahren zu erkennbaren Schklen". Ook zagen wij al dat hierop in de literatuur sceptisch is gereageerd, en met recht zou ik denken; het lijkt een empirische inschatting voor de juistheid waarvan weinig aanwijzingen bestaan. Enige correlatie tussen de waarde van het geschonden rechtsgoed en de "latentietijd" van de door zijn schending veroorzaakte schade zou een oorzaak moeten hebben. Een ook maar enigszins plausibele oorzaak is niet te bedenken. De aannemelijkheid van de veronderstelde samenhang dringt zich ook niet op bij een blik op de rechtspraktijk: veelal manifesteert de schending van een hoog rechtsgoed zich direct — dood door een ongeluk, borst onterecht afgezet bij goedaardig gebleken gezwel — en manifesteert de schending van een minder verheven rechtsgoed zich veel later — verborgen gebleven ontwerpgebrek in een gebouw, vervuiling van grond. Bedacht zij dat wij het hier hebben over de samenhang tussen aard van de schade en latentieperiode in het algemeen; de asbestzaken beïnvloeden wellicht onze initiële opvattingen over de samenhang tussen soort schade en latentietijd, maar bij nadere beschouwing wordt duidelijk dat zij wegens hun uniciteit voor enige algemene gevolgtrekking geen basis bieden; daarvoor zijn grote getallen nodig.
Ten tweede. De Law Commission voert aan dat een long-stop is "unjust to claimants suffering from latent diseases"; de Law Commission heeft er moeite mee dat de vordering is verjaard nog voordat de benadeelde ziek werd, nog voordat hij zijn vordering kon instellen dus. Dat mag op zichzelf inderdaad ongelukkig heten, uniek voor personenschade is die implicatie niet. Integendeel, de aard van de long-stop als subsidiaire termijn naast de subjectieve termijn maakt dat dit ongeluk federe crediteur overkomt wiens vordering door de long-stop wordt getroffen. Daardoor is het ter ondersteuning van differentiatie geen sterk argument: als de Law Commission schuldeloos verlies van recht wil voorkomen, moet hij de long-stop over de volle linie schrappen in plaats van een uitzondering te maken voor de personenschade.
Ten derde de wat mij betreft sterkste overweging. In zowel de Duitse als de Engelse overwegingen wordt de bijzondere aard van de personenschade benadrukt. De Law Commission schrijft: "personal injury is a more extreme type of harm than property damage or economic loss" en de Duitse wetgever spreekt van inbreuk op "besonders wertvoller Rechtsgilter". Het staat er niet met zoveel woorden, maar ik krijg de indruk dat men eenvoudig het normatieve oordeel is toegedaan dat inbreuk op een hoog rechtsgoed langer juridisch sanctioneerbaar moet blijven. Over de juistheid van die opvatting kan men van mening verschillen, hetgeen in de Duitse literatuur ook vrij uitvoerig is geschied. Differentiatie is verdedigd met een beroep op de uiteenlopende grondrechtelijke positie van verschillende rechtsgoederen, maar anderzijds is bijvoorbeeld ook bepleit dat andere dan de onderhavige rechtsgoederen net zo belangrijk zijn en hun inbreuk in potentie net zo existenzbedrohend. Er lijkt geen communis opinio te zijn.’3 Vanuit Nederlands perspectief is het niet onverdedigbaar de aard van de schade als grondslag voor onderscheid te laten dienen, omdat dat ook elders in het schadevergoedingsrecht wordt gedaan.4
Mij lijkt de aard van het geschonden rechtsgoed inderdaad wel een verdedigbare grond voor onderscheid, niet zozeer vanwege de enkele hiërarchische positie van die goederen, maar veeleer vanwege de gedachte dat de inbreuk op rechtsgoederen van hogere orde zich langer — niet later — manifesteert dan inbreuk op andere goederen. Ik schreef eerder in de paragraaf "tijd heelt alle wonden" dat verjaring onder andere gerechtvaardigd is als de crediteur zijn belang bij de vordering door tijdsverloop is kwijtgeraakt.5 Ook bij schending van de onderhavige rechtsgoederen zal zich dat ooit voordoen, maar misschien is in het algemeen de persistentie toch groter. Zie bijvoorbeeld de casus van het Bloedtransfusiearrest,6 waar door toediening van bloed met een verkeerde rhesusfactor een vrouw haar vermogen kinderen te krijgen verloor
— kinderloosheid blijft een leven lang manifest — maar denk ook meer algemeen aan overlijden, ernstige ziektes, seksueel misbruik en andere fysieke en psychische trauma's. In dat licht is de verlenging van de objectieve termijn van tien naar dertig jaar niet onbegrijpelijk.
Vier bedenkingen bij die gedachtegang: (i) ik kan niet bewijzen dat inbreuk op hogere rechtsgoederen zich over het algemeen langer doet voelen; het is niet meer dan een inschatting; (ii) mijn redenering geldt niet ten aanzien van sluipende schade
— daar heeft de tijd niets kunnen helen, ook niet bij inbreuk op minder hoog aangeschreven rechtsgoederen; (iii) men zou het voorgaande ook op andere wijze in de verjaringsregeling tot uitdrukking kunnen brengen — zie hierna; (iv) we hebben nu nog slechts het toegenomen belang van de crediteur beredeneerd; of die toename voldoende zwaarwegend is om bijvoorbeeld het springlevend gebleven bewijsbelang van de aangesprokene te overrulen, valt te betwijfelen. Ik wil dus niet meer gezegd hebben dan dat ik differentiatie op grond van de aard van het geschonden rechtsgoed niet geheel onbegrijpelijk vind; het is evenwel, zoals nog zal blijken, niet de oplossing die ik zelf zou voorstaan.
Samenvattend en concluderend: om een verjaringsrechtelijke voordeelspositie voor personenschadevorderingen te rechtvaardigen, moet het belang van de debiteur geringer en/of het belang van de crediteur aanzienlijker zijn dan in andersoortige zaken. Noch door de Law Commission, noch door de Duitse wetgever is bepleit dat het belang van de debiteur minder zwaarwegend zou zijn. Dan rest het toegenomen belang van de crediteur. Dat dat belang groter zou zijn omdat personenschade zich over het algemeen later manifesteert, lijkt niet juist. Evenmin van betekenis is de bedenking dat in personenschadezaken de crediteur zijn recht kan verliezen nog voordat hij ziek werd. Wel een aanknopingspunt voor onderscheid biedt de inschatting dat in geval van personenschade de crediteur veelal gedurende langere periode dan bij andersoortige vorderingen belang houdt bij zijn vordering. Daarmee is nog niet gezegd dat differentiatie inderdaad de beste oplossing is.