Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.3.1
7.3.1 Uitgangspunten bij het herijkingsvoorstel
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661501:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 4.7 en 5.5. Op vergelijkbare bezwaren stuiten andere vergelijkbare oplossingen. Zo is het uitgangspunt dat de Belastingdienst de wet moet toepassen niet simpelweg te vervangen door het uitgangspunt dat de Belastingdienst gebonden moet zijn aan zijn voorlichting, want dat strookt niet met het legaliteitsbeginsel. Het uitgangspunt dat op voorlichting niet mag worden vertrouwd, is niet simpelweg te vervangen door de regel dat op voorlichting (wel) mag worden vertrouwd, want of het gewekte vertrouwen bescherming verdient, hangt af van de omstandigheden.
Gezien de aard van het conflict tussen het juridisch perspectief en het burgerperspectief acht ik een belangrijk uitgangspunt voor de oplossing om aansluiting te zoeken op het raakvlak tussen beide perspectieven. Het raakvlak is, eenvoudig geformuleerd:
In beide perspectieven mag de burger er in principe op rekenen dat de ander is gebonden aan zijn uitingen, oftewel, dat hij zich aan zijn woord houdt.
Belangrijk is dat dit raakvlak betekent dat de perspectieven op principieel niveau een idee van vertrouwen op en gebondenheid aan communicatie gemeenschappelijk hebben (zie paragraaf 6.2.5.1). Hoewel de uitwerking ervan volstrekt verschillend bleek, dat doet aan deze fundamentele overeenkomst niet af.
Het belang van het raakvlak mag niet worden onderschat. Stel immers dat het belastingrecht het vertrouwensbeginsel als rechtsbeginsel niet zou erkennen ten aanzien van voorlichting, dan zou de te overbruggen discrepantie tussen beide perspectieven (nog) groter zijn. Bij een oplossing die in overeenstemming wil zijn met juridische randvoorwaarden én beter recht wil doen aan het perspectief van de burger, ligt het dus voor de hand het raakvlak als uitgangspunt te nemen.
Het raakvlak is juridisch gezien met name gerelateerd aan het rechtszekerheidsbeginsel. Om het conflict tussen beide perspectieven te verkleinen is daarmee een logische richting om in de weging tussen de verschillende rechtsstatelijke beginselen méér dan in de huidige koers bij het vertrouwensbeginsel gewicht toe te kennen aan het rechtszekerheidsbeginsel. In het beoordelingskader zal dan in hogere mate dan nu (moeten) worden voldaan aan het criterium van het rechtszekerheidsbeginsel (paragraaf 7.2.2).
Overigens zou het voor een betere koers betrekkelijk eenvoudig zijn, maar ook simplistisch, om de hoofdregel ‘nee, tenzij’ te vervangen door ‘ja, tenzij’. Datzelfde geldt voor het eenvoudigweg ‘omklappen’ van de risicoverdeling van de burger naar de Belastingdienst. Zo werkt het vertrouwensbeginsel niet en communicatie evenmin.1 Daarbij speelt mee dat uit de voorgaande hoofdstukken naar voren kwam dat aanpassingen in de hoofdregel van de Hoge Raad niet de voorkeur verdienen (zoals het vervangen van criteria of de ene hoofdregel door de andere), omdat die methode in zichzelf nu juist knelpunten bevat. Er is dus een andere benadering nodig.
Bovendien lieten inzichten uit het burgerperspectief zien dat aanpassingen in de hoofdregel een intern-juridisch karakter hebben en geen rekening houden met de werking van communicatie (paragraaf 6.6). Daarmee wordt het conflict tussen beide perspectieven dus niet verkleind. Bovendien – en dat is juridisch zeer relevante informatie – toonden de inzichten uit de taal- en communicatiewetenschap dat het burgerperspectief niet ertoe dwingt om de Belastingdienst altijd en/of geheel te binden aan zijn uitingen: communicatie is contextafhankelijk. Tegelijkertijd benadrukten de inzichten uit het burgerperspectief dat burgers (terecht) rekenen op een betrouwbare Belastingdienst als communicatiepartner en dat een andere benadering nodig is om beter rekening te houden met het niet-algoritmische karakter van communicatie. Het herijkingsvoorstel moet deze inzichten in acht nemen.