Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/4.7.5
4.7.5 Het wekken van vertrouwen schept aansprakelijkheid
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS508629:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Zie Scheltema & Scheltema 2013, p. 412, Van Ommeren & Huisman 2014, p. 53, en Schutgens 2015, p. 83. Vgl. Langbroek 2017, p. 66.
Zie hierover onder meer Damen 2018 en Van Male 2015. Damen e.a. 2013, p. 418, stellen dat het beginsel eist dat gerechtvaardigde verwachtingen zo enigszins mogelijk worden gehonoreerd, daarmee (kennelijk) aansluiting zoekend bij oudere rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Zie bijvoorbeeld CRvB 8 februari 1980, AB 1980/608 (Methode van functiewaardering). Zie ook Verheij 1997, p. 44.
Zie Van Ravels 2008, p. 137-138 en de conclusie van A-G Keus, onder 2.22, voor HR 9 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3776 (Euroase-hotel Bergen). Vgl. Van de Sande 2015b, p. 260 en de conclusie van A-G Keus voor HR 30 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4491, NJ 2008/155 m.nt. M.R. Mok (Van Oudbroekhuizen/Wijk bij Duurstede). De A-G maakt een onderscheid tussen het zonder goede grond doen van een toezegging, en het zich zonder goede grond niet naar een gedane toezegging gedragen. Zie ook Kortmann 2018, p. 186. Kortmann stelt dat de inlichting zelf de schadeoorzaak is, en niet de latere gebeurtenis waaruit de onjuistheid van de inlichting bleek. Anders: Schutgens 2015, p. 88, die stelt dat de overheid onzorgvuldig handelt als het vertrouwen niet kan worden waargemaakt. Vgl. nog Langbroek 2017, p. 66-67 en Van Triet 2018, p. 110-111 in het kader van toezeggingen.
HR 2 februari 1990, NJ 1993/635 m.nt. M. Scheltema, AB 1990/223 m.nt. G.P. Kleijn, r.o. 3.3 (Staat/Bolsius). Vgl. ook HR 6 januari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT8413, r.o. 3.6.5 (De Goede Hoop/Curaçao).
Vgl. Rb. Amsterdam 17 juni 2015, ECLI:NL:RBAMS:2015:3565, r.o. 4.9 (Hestia/Amsterdam), waarin de rechtbank overwoog dat op de gemeente in het bijzonder op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel de verplichting rustte om Hestia op een zorgvuldige en dus volledige wijze te informeren.
HR 29 april 1994, NJ 1997/396 m.nt. M. Scheltema, AB 1994/530 m.nt. F.H. van der Burg (GE/’s-Gravenhage of Schuttersduin). Deze lijn is overgenomen door de bestuursrechter en geldt ook voor andere vergunningen dan bouwvergunningen. Zie bijvoorbeeld ABRvS 3 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE4854, AB 2003/306 m.nt. B.J. Schueler (Bouwvergunning Waterland) en ABRvS 18 maart 2015, ECLI:NL:RVS:2015:832 (Exploitatievergunning Rotterdam).
Zie naast het Schuttersduin-arrest ook Hof ‘s-Hertogenbosch 17 december 2001, te kennen uit de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 19 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL8422 (Van Mierlo/Asten).
Dat de burger op het verkeerde been is gezet door de overheid, kan onder omstandigheden ook grond opleveren voor het aannemen van een uitzondering op de formele rechtskracht. Zie onder andere HR 16 mei 1986, NJ 1986/723 m.nt. M. Scheltema, AB 1986/573 m.nt. F.H. van der Burg (Heesch/Van de Akker) en HR 11 november 1988, NJ 1990/563 m.nt. M. Scheltema, AB 1989/81 m.nt. F.H. van der Burg (Ekro/Staat).
Vgl. ook HR 21 januari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4041, AB 2006/287 m.nt. F.J. van Ommeren, JB 2005/57 m.nt. G.E. van Maanen, r.o. 3.6.4 (Direks/Venray), waarin de Hoge Raad uitspreekt dat iemand die vooruitlopend op de totstandkoming van een bepaalde regeling bepaalde handelingen verricht, zulks op eigen risico doet, in die zin dat de omstandigheid dat de regeling niet tot stand komt of achteraf blijkt geheel of gedeeltelijk onverbindend te zijn, voor zijn risico komt. Onder bijkomende omstandigheden kan dit anders zijn, waarbij volgens de Hoge Raad met name valt te denken aan het geval dat van overheidswege wordt geëist dat op de totstandkoming van de regeling wordt vooruitgelopen of van overheidswege dusdanige uitlatingen worden gedaan dat de betrokkene daaruit in samenhang met hetgeen reeds bekend is omtrent de voorgenomen regeling in redelijkheid mag afleiden dat een dergelijke eis wordt gesteld. Mededelingen van overheidswege kunnen dus ook hier met zich brengen dat schade, die in beginsel voor eigen rekening blijft, toch voor vergoeding in aanmerking komt.
In het voorgaande is de maatstaf voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van onjuiste informatieverstrekking alsook de wijze van toepassing en achtergrond van deze maatstaf besproken. Duidelijk werd dat de overheid slechts onrechtmatig handelt door onjuiste informatie te verstrekken indien de burger erop heeft mogen vertrouwen dat hij juist en volledig over een bepaald onderwerp zou worden geïnformeerd. In het licht van deze maatstaf resteren nog drie vragen. De eerste vraag is of de aansprakelijkheid voor onjuiste informatieverstrekking, zoals in de literatuur wel wordt aangenomen,1 haar grondslag vindt in het bestuursrechtelijke vertrouwensbeginsel.
Het vertrouwensbeginsel eist dat het bestuur gewekte verwachtingen in beginsel honoreert, en is dus gericht op het bewerkstelligen van de nakoming van die verwachtingen.2 De werking van het vertrouwensbeginsel brengt met zich dat in voorkomend geval een rechtsplicht op een bestuursorgaan rust om een hem toekomende bevoegdheid op een bepaalde wijze uit te oefenen. Die bevoegdheidsuitoefening bestaat veelal in het nemen van een besluit. Wanneer de bestuursrechter wegens strijd met het vertrouwensbeginsel overgaat tot vernietiging van een besluit dat een ander dictum kent dan op basis van het gewekte vertrouwen in de lijn der verwachtingen lag, oordeelt hij dat het bestuursorgaan vertrouwen heeft gewekt dat het niet had mogen beschamen met zijn (wijze van) bevoegdheidsuitoefening. Kort gezegd, ligt aan een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel ten grondslag dat het bestuursorgaan niet had mogen overgaan tot het schenden van het gewekte, gerechtvaardigde vertrouwen.
Bij onjuiste informatieverstrekking vormt daarentegen niet de trouw aan het gegeven woord maar het misrepresenteren van de juridische werkelijkheid de grondslag voor het aannemen van de schadeplichtigheid van de overheid. De schadeplichtigheid ontstaat doordat de burger door de overheid op het verkeerde been is gezet. Een aanspraak op schadevergoeding ontstaat derhalve niet doordat het bestuursorgaan ten onrechte een opgewekt vertrouwen heeft geschonden, maar doordat het orgaan ten onrechte vertrouwen heeft gewekt.3 Het opwekken van vertrouwen fungeert bij onjuiste informatieverstrekking als schadeoorzaak, en niet het schenden daarvan.
Niet voor niets overwoog de Hoge Raad in het arrest Staat/Bolsius dat Bolsius vergoeding kon vorderen van de schade die hij heeft geleden doordat hij heeft gehandeld in de gewekte veronderstelling dat in andere zin zou worden beschikt, en dat de omstandigheid dat de bestuursrechter door onjuiste of onvolledige inlichtingen opgewekt vertrouwen dat in bepaalde zin zou worden beschikt, onvoldoende heeft geoordeeld om de vervolgens in andere zin genomen beschikking te vernietigen, de burgerlijke rechter niet zonder meer belet te oordelen dat het geven van die inlichtingen onzorgvuldig was en verplicht tot vergoeden van de daardoor veroorzaakte schade (zie paragraaf 3.4.3.1).4
Doordat het wekken van vertrouwen de schadeoorzaak is, komt de schade voor vergoeding in aanmerking die is veroorzaakt door een misplaatst vertrouwen op de juistheid van de gegeven inlichtingen, en niet (ook) de schade doordat het vertrouwen ten onrechte niet is bewaarheid (zie nader paragraaf 6.7, 7.4.2 en 7.4.3). In het aansprakelijkheidsrecht voor onjuiste informatieverstrekking is ‘belofte maakt schuld’ dus niet leidend. Informatieverstrekking is immers kleurloos en houdt geen belofte of toezegging voor de toekomst in. In bestuursrechtelijke termen kan dan ook worden gesteld dat niet zozeer het vertrouwensbeginsel ten grondslag ligt aan een aanspraak op schadevergoeding wegens onjuiste informatieverstrekking, maar veeleer het zorgvuldigheidsbeginsel.5 Het is onzorgvuldig om zonder goede grond een gerechtvaardigd vertrouwen te wekken. Ter vergelijking kan worden gewezen op de Schuttersduin-rechtspraak.
Het Schuttersduin-arrest uit 1994 heeft betrekking op de schadeplichtigheid van de overheid jegens een vergunninghouder.6 In het arrest overwoog de Hoge Raad dat de houder van een bouwvergunning (thans: omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen) die met bouwen begint voordat zijn vergunning onherroepelijk is, op eigen risico handelt. De vergunninghouder kan de overheid, voor zover het gaat om schade die is ontstaan doordat hij is gaan bouwen voordat de vergunning onherroepelijk was, niet naderhand aanspreken uit onrechtmatige daad als een bezwaar of beroep van een belanghebbende tot vernietiging of herroeping van de vergunning leidt. Deze schade blijft wegens eigen schuld aan het ontstaan daarvan voor eigen rekening. De onuitgesproken gedachte achter deze regel lijkt te zijn dat het onvoorzichtig is om (al) kosten te maken met gebruikmaking van een vergunning in de wetenschap dat deze (nog) aan vernietiging blootstaat, zeker omdat een vergunning niet zelden sneuvelt na bezwaar en/of beroep. Op deze regel wordt echter een uitzondering gemaakt indien van de zijde van de overheid het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat een ingesteld of nog in te stellen bezwaar of beroep niet tot vernietiging zal leiden.7
In het Schuttersduin-arrest leidt eveneens het wekken van vertrouwen tot aansprakelijkheid. Aan de aansprakelijkheid van de overheid ligt hier ten grondslag dat zij onrechtmatig heeft gehandeld door ten onrechte een vergunning te verlenen (en niet door onjuiste inlichtingen te verstrekken), maar dat doet er niet aan af dat een toewijsbare vordering tot schadevergoeding alleen bestaat wanneer de burger op het verkeerde been is gezet door de overheid.8 Door vertrouwen te wekken omtrent de rechtmatigheid van de vergunning heeft de overheid een voorschot genomen op het onherroepelijk worden van de vergunning. De aansprakelijkheid van de overheid berust daarop dat zij ten onrechte een verwachting omtrent de rechtmatigheid van de vergunning in het leven heeft geroepen.9