Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.9.3.1
7.9.3.1 Samenloopvrijstelling bij verkrijging krachtens belaste verhuurdienst
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291276:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 19.
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 37.
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 15-17. Zie hierover nader: J. Th. Sanders, Le droit de rêver (diss.), Den Haag: Sdu 2011, p. 129-133.
MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 16-17.
Anders: M. Albers, Het beperkt zakelijk recht en enkele belastingen (diss.), Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2016, p. 150 die er zonder meer van uitgaat dat een ‘echte’ verhuurdienst onder de samenloopvrijstelling valt, omdat de verhuuranalogie uitgaat van een ruimere uitleg van het begrip ‘verhuur’ dan het unierecht. Naar mijn mening miskent Albers dat de verhuuranalogie slechts om de hoek komt kijken indien op grond van een richtlijnconforme uitleg van het begrip verhuur in art. 11 lid 1, onderdeel b, eerste alinea Wet OB geen sprake is van verhuur (‘onder verhuur van onroerende zaken wordt mede verstaan’). Zie: HR 27 september 2002, nr. 34.631, FED 2002/710, m.nt. Van der Paardt, r.o. 3.3.2 waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de kwalificatie van de economische vestiging van een erfpachtrecht reeds voortvloeit uit de (richtlijnconforme uitleg van) het begrip ‘verhuur’ in art. 11 lid 1, onderdeel b Wet OB en niet het gevolg is van toepassing van de verhuuranalogie.
De samenloopvrijstelling heeft een tweeledige doel: cumulatie van btw en overdrachtsbelasting voorkomen en afzien van heffing van overdrachtsbelasting in de bouw- en handelsfase (zie paragraaf 5.10.2.1).1 Op grond van art. 15 lid 1, onderdeel a WBR is de verkrijging krachtens een dienst als bedoeld in art. 11 lid 1, onderdeel b, slotalinea Wet OB 1968 waarover btw is verschuldigd vrijgesteld van overdrachtsbelasting, tenzij de onroerende zaak als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger de btw geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen. De vrijstelling van de verkrijging krachtens een belaste dienst als bedoeld in art. 11 lid 1, onderdeel b, slotalinea Wet OB is blijkens de parlementaire geschiedenis niet los te zien van art. 3 lid 2 Wet OB.2 Op grond van laatstgenoemde bepaling heeft de wetgever – ter bestrijding van btw-besparende constructies met beperkte zakelijke gebruiksrechten op nieuwe onroerende goederen (lees: gebouwen) – ervoor gekozen om de vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van beperkte zakelijke gebruiksrechten aan te merken als een dienst, tenzij de vergoeding, vermeerderd met btw, minder bedraagt dan de waarde in het economische verkeer van die rechten.3 De waarde in het economische verkeer is door de wetgever vastgesteld op ten minste de actuele kostprijs van het onderliggende onroerend goed inclusief btw (zie paragraaf 4.2.6.6).
De vestiging, overdracht, wijziging, afstand en opzegging van een beperkt zakelijk gebruiksrecht die op grond van art. 3 lid 2 Wet OB kwalificeert als een dienst heeft de wetgever op grond van art. 11 lid 1, onderdeel b, laatste alinea Wet OB gelijk willen stellen met een verhuurdienst, de zogenoemde ‘verhuuranalogie’ (zie paragraaf 7.4.4).4 De veronderstelling die hieraan ten grondslag lag was dat de vestiging e.d. van een beperkt zakelijk gebruiksrecht geen verhuurdienst is, maar hiermee wel gelijkenis kan vertonen. Dit verklaart waarom de samenloopvrijstelling op grond van haar bewoordingen uitsluitend van toepassing is op een verkrijging krachtens een belaste dienst die op grond van de verhuuranalogie kwalificeert als verhuur. Zoals uit paragraaf 7.4.4 volgt, brengt een richtlijnconforme uitleg van het begrip ‘verhuur’ met zich dat ook de vestiging van een beperkt zakelijk gebruiksrecht op een onroerend goed een ‘echte’ verhuurdienst kan zijn. Op grond van een strikte grammaticale interpretatie zou de samenloopvrijstelling in dat geval niet van toepassing zijn.5 Naar mijn mening verzetten zowel de parlementaire geschiedenis als de strekking van de samenloopvrijstelling zich tegen deze strikte uitleg. De parlementaire geschiedenis laat zien dat de wetgever in de onjuiste veronderstelling leefde dat een dergelijke dienst geen ‘echte’ verhuurdienst is waardoor de verhuuranalogie nodig was om deze dienst voor de btw dezelfde behandeling te kunnen geven als een verhuurdienst. De wetgever heeft nadrukkelijk niet beoogd om ‘echte’ verhuurdiensten van de samenloopvrijstelling uit te sluiten. Integendeel! Ook de strekking van de samenloopvrijstelling verzet zich naar mijn mening tegen voormelde strikte uitleg, aangezien hierdoor ter zake van deze verhuurdienst zowel btw als overdrachtsbelasting wordt geheven én bij de verhuur van nieuwe gebouwen of bouwterreinen overdrachtsbelasting wordt geheven in de bouw- en handelsfase.
Op grond van het voorgaande verdient het aanbeveling om de bewoordingen van de samenloopvrijstelling in overeenstemming te brengen met de bedoeling van de wetgever en de haar strekking door de verwijzing naar de verhuuranalogie in art. 15 lid 1, onderdeel a WBR in te wisselen voor een verwijzing naar ‘een dienst als bedoeld in art. 11 lid 1, onderdeel b Wet OB ter zake waarvan btw verschuldigd is’. Hierdoor is de samenloopvrijstelling (in beginsel) ook grammaticaal van toepassing op alle verkrijgingen krachtens een belaste verhuurdienst.