De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.1:4.1 Inleiding
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949375:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld: B. Mesters, ‘Docent Ton van Haperen: ‘Stuur de schoolbesturen weg en maak de overheid weer de baas over ons onderwijs’’, Volkskrant 2 april 2021, M. Eerkens, ‘De zwakste schakel in het basisonderwijs is het schoolbestuur’, Follow the money 26 april 2022, D66, ‘Onderwijsvisie: Geld naar school’, raadpleegbaar via: https://d66.nl/onderwijsvisie/geld-naar-school/ [geraadpleegd op 23 november 2022].
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de leraar als professional met een zekere mate van autonomie het onderwijs geeft en de examens afneemt, bepaalt hij niet het beleid binnen de school en is hij niet eindverantwoordelijk voor de kwaliteit van het onderwijs. Deze taak en verantwoordelijkheid komen toe aan het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag kan immers op grond van artikel 23 van de Grondwet aanspraak maken op de vrijheid van inrichting. Daarnaast dient het bevoegd gezag beleid en regels te stellen om de kwaliteit van het onderwijs te borgen, ook kan het hiertoe instructies geven aan de leraar. Dit alles beperkt de autonomie van de leraar, terwijl de leraar als vakdeskundige professional als geen ander weet hoe onderwijs gegeven moet worden. In de praktijk wordt dan ook wel gesteld dat het bevoegd gezag te veel macht heeft ten opzichte van de deskundige leraar.1 Om te bepalen in hoeverre dit het geval is, wordt in dit hoofdstuk de volgende vraag beantwoord: in hoeverre kan het bevoegd gezag de autonomie van de leraar, bij het geven van onderwijs en in het bijzonder bij het nemen van examenbeslissingen, beperken of versterken?
Om deze vraag te beantwoorden wordt in § 4.2 eerst ingegaan op wat het bevoegd gezag precies is en hoe het bevoegd gezag zich in het algemeen verhoudt tot de leraar. Daarbij is van belang dat de rol van het bevoegd gezag gerelativeerd moet worden, ondanks dat aan hem formeel de vrijheid van inrichting toekomt en hij de bevoegdheid heeft om beleid te maken, regels te stellen en instructies te geven. Deze taken worden in de praktijk immers uitgevoerd door zijn werknemers, zoals de leraar. In § 4.3 wordt nader ingegaan op de werknemer/werkgeververhouding die bestaat tussen het bevoegd gezag en de leraar. Hieruit vloeit voort dat het bevoegd gezag de leraar instructies mag geven. Deze instructiebevoegdheid is evenwel niet onbegrensd.
Vervolgens wordt in § 4.4 ingegaan op de vrijheid van meningsuiting van de leraar. Uit jurisprudentie blijkt dat dit tot geschillen met het bevoegd gezag kan leiden, bijvoorbeeld als de leraar publiceert over het reilen en zeilen in de eigen school, hij politiek actief is of als hij onderdeel heeft uitgemaakt van een extremistische organisatie. In deze paragraaf wordt het juridisch kader omtrent de vrijheid van meningsuiting van de leraar geschetst en wordt duidelijk wat de grenzen hiervan zijn.
Hoewel het bevoegd gezag de autonomie van de leraar kan beperken, is zijn eigen vrijheid ook niet onbegrensd. Naast de inrichtingsvrijheid van het bevoegd gezag, vloeit uit artikel 23 van de Grondwet ook voort dat het onderwijs een aanhoudende zorg van de regering is. Zoals toegelicht wordt in § 4.5 wordt daarom van overheidswege met wetgeving gestuurd op het onderwijs. Deze wetgeving richt zich tot het bevoegd gezag, maar raakt indirect ook de leraar. Het bevoegd gezag moet op grond van deze wetgeving op tal van punten beleid en regels vaststellen. Zo moet hij de kwaliteit van onderwijs borgen en personeelsbeleid vaststellen. Hierop wordt dieper ingegaan in § 4.7.
Voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag is ook de rol van het bevoegd gezag bij het nemen van examenbeslissingen van belang. Die rol is echter diffuus. Het bevoegd gezag kan met beleid of regels in zekere mate sturen op de kwaliteit en de inhoud van de examens, maar het verder borgen van de kwaliteit van de examens is door de wetgever, met uitzondering van het primair onderwijs, opgedragen aan de examencommissie. Ook de rol van het bevoegd gezag bij het afnemen van examens is niet eenduidig, die rol verschilt per onderwijssector. Daarom wordt in § 4.8 beschreven wat de rol van het bevoegd gezag is bij de examens in de verschillende onderwijssectoren én hoe die rol zich verhoudt tot de leraar.
Het bevoegd gezag stuurt de school voornamelijk met beleid en regels, dit geldt ook voor de wijze waarop de examens worden afgenomen. Dit beleid en deze regels kan hij echter niet geheel zelfstandig vaststellen, hierbij moet hij de medezeggenschap betrekken. Leerlingen en ouders maar ook het personeel, zoals de leraar, kunnen deel uitmaken van de medezeggenschapsraad. Deze raad kan met zijn instemmings- of adviesrecht het beleid en de regels van het bevoegd gezag beïnvloeden. Daarom wordt ten slotte in § 4.9 ingegaan op de rol van de medezeggenschap in de school.