Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.4.4:8.4.4 In hoeverre is er door de wijzigingen ruimte voor het evenredigheidsbeginsel gebleven bij de toepassing van sancties?
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/8.4.4
8.4.4 In hoeverre is er door de wijzigingen ruimte voor het evenredigheidsbeginsel gebleven bij de toepassing van sancties?
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258861:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Ogtrop, Sociaalrecht 1995/6.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De sanctieoplegging van een maatregel in de WW bij voorzienbare verwijtbare werkloosheid is een dwingend kader geworden. De vrijheid bij het opleggen van een maatregel is op twee manieren beperkt door de Wet Boeten, namelijk 1) er kan bij de oplegging niet meer met het evenredigheidsbeginsel rekening worden gehouden en 2) er kan geen maatwerk meer worden geleverd in de hoogte van de sanctie, omdat de sanctiemogelijkheden zijn beperkt. Voor de invoering van de Wet Boeten wogen persoonlijke omstandigheden als een lang stabiel arbeidsverleden, een langdurig dienstverband en een theoretisch zeer lange maximale duur van het WW-recht mee. Die omstandigheden werden afgewogen tegen de verwijtbaarheid van de gedragingen en die konden in de sfeer liggen van “frauduleuze handelingen”, diefstal bestaande uit “het stelen van twee dozen plakband” of “het declareren van te hoge reiskosten”.1 Bij invoering van de Wet Boeten stelde het kabinet zich op het standpunt dat zij zelf al een evenredigheidstoets had toegepast en het evenredigheidsbeginsel werd daarom bij de sanctieoplegging door de uitvoeringsorganen uitgesloten.2 Een blijvend gehele weigering werd altijd evenredig geacht als het verwijtbare gedrag redelijkerwijs voorzienbaar tot werkloosheid zou hebben geleid. Het rekening houden met de omstandigheden van het geval, ook wel vervat in het evenredigheidsbeginsel, mocht niet meer volgens het kabinet. Alle vormen van verwijtbare gedragingen die voorzienbaar tot werkloosheid leidden zouden het weigeren van een WW-uitkering tot gevolg hebben. De mate van laakbaarheid van een gedraging volgens maatschappelijke opvattingen, in feite de ernst van de gedraging, zou niet mogen uitmaken voor de toekenning of weigering van een WW-uitkering. Het kabinet noemde daarbij het voorbeeld dat ontslag door het slaan van de werkgever of ondanks waarschuwing te laat komen op het werk even verwijtbaar werden geacht als het ging om weigering van een WW-uitkering.3 Die strenge lijn in het uitsluiten van het evenredigheidsbeginsel is enigszins verlicht met de mitigerende maatregel van verlaging van de uitkering naar 35 procent over 26 weken als de werknemer niet in overwegende mate te verwijten is dat hij zijn verplichting niet is nagekomen4, maar feit blijft dat door het dwingende sanctiekader verbonden aan (voorzienbare) verwijtbare werkloosheid de te treffen maatregel niet meer getoetst kon worden aan het evenredigheidsbeginsel. Het kabinet had met de in het kader van de Wet Boeten gemaakte afwegingen een duidelijke lijn ingezet, die aan de ene kant een streng en afschrikwekkend sanctiebeleid vormde, maar aan de andere kant het evenredigheidsbeginsel uitsloot en daarmee de rechtspositie van de WW’er verslechterde.