Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.3.4:3.3.3.4 Het Boehringer-arrest
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/3.3.3.4
3.3.3.4 Het Boehringer-arrest
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS496531:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 24 oktober 1996, nr. C-317/94, V-N 1996/4573 (Elida Gibbs).
Ik neem aan dat het HvJ hier doelt op de relatie fabrikant – eindverbruiker.
HvJ 20 december 2017, nr. C-462/16, V-N Vandaag 2017/3001 (Boehringer), r.o. 37.
R.o. 39 van onderhavig arrest.
Vgl. HvJ 18 juli 2013, nr. C-26/12, V-N 2013/30.21.15 (PPG Holdings). Zie ook Van der Wulp 2013.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Dat ook het HvJ een ruime uitleg van het hiervoor in paragraaf 3.3.3.3 besproken Elida-Gibbs-arrest1 voorstaat, volgt uit het recent gewezen Boeheringer Ingelheim Pharma-arrest (hierna: ‘Boehringer’). Boehringer is een fabrikant van farmaceutische producten, die via groothandelaren worden bezorgd aan apotheken. De apotheken verstrekken deze farmaceutische producten vervolgens via ziekenfondsen (zijnde wettelijke publieke zorgverzekeraars) aan patiënten. De apotheken verlenen de ziekenfondsen korting op de prijs van de farmaceutische producten, waarna Boehringer de apotheken (of groothandelaren) voor deze korting compenseert. De Duitse belastingdienst beschouwt deze korting als een vermindering van de tegenprestatie. In het geval patiënten echter niet ziekenfonds, maar particulier verzekerd zijn, kopen de zorgverzekeraars de farmaceutische producten niet zelf in, maar vergoeden zij enkel de door de patiënten gemaakte kosten. In dat geval verstrekt Boehringer de zorgverzekeraar (rechtstreeks) een korting. Deze korting wordt door de Duitse belastingdienst niet als een vermindering van de tegenprestatie beschouwd. Boehringer laat het hier niet bij zitten en een daaropvolgend geschil met de belastingdienst belandt bij het HvJ. De vraag rijst of een korting die een farmaceutische onderneming (krachtens de wet) toekent aan een particuliere zorgverzekeraar leidt tot een verlaging van de maatstaf van heffing overeenkomstig art. 90 lid 1 Btw-richtlijn.
Het HvJ houdt het kort. Omdat Boehringer (op grond van de nationale wet) enkel kan beschikken over een bedrag dat overeenkomt met de verkoopprijs van de farmaceutische producten aan de apotheken, verminderd met de aan de zorgverzekeraars verstrekte kortingen, dient de maatstaf van heffing (uiteindelijk) te bestaan uit dit saldobedrag. Dat het Elida Gibbs-arrest ziet op ‘het gewone geval van een tussen twee partijen rechtstreeks aangegane contractuele relatie die later een wijziging ondergaat’2 doet volgens het HvJ aan deze conclusie niet af.3 Toepassing van art. 90 lid 1 Btw-richtlijn hangt namelijk niet af van een latere wijziging van de contractuele relatie.4 Ook het feit dat de directe begunstigde van de farmaceutische producten niet de zorgverzekeraar, maar de patiënt (de verzekerde) is, maakt volgens het HvJ niet dat het (vereiste) directe verband tussen de verrichte goederenlevering en de tegenprestatie wordt verbroken. Het HvJ overweegt:
“41. Zoals de advocaat-generaal in de punten 44 en 45 van zijn conclusie heeft opgemerkt, moeten betalingen bij de aankoop van farmaceutische producten immers worden beschouwd als een tegenprestatie die van de zijde van een derde wordt ontvangen in de zin van artikel 73 van de btw-richtlijn wanneer deze derden, te weten de verzekerden, de particuliere zorgverzekeraars om vergoeding hebben verzocht en deze zorgverzekeraars overeenkomstig de nationale wet de korting hebben verkregen die hun door de farmaceutische onderneming verschuldigd is. Gelet op de omstandigheden in het hoofdgeding moeten de particuliere zorgverzekeraars dus worden beschouwd als de eindverbruiker van een door een btw-plichtige farmaceutische onderneming verrichte goederenlevering, zodat het door de belastingdienst geheven bedrag niet hoger kan zijn dan het door de eindverbruiker betaalde bedrag (zie in die zin arrest van 24 oktober 1996, Elida Gibbs, C-317/94, EU:C:1996:400, punt 24).”
Uit deze overweging maak ik op dat het HvJ van oordeel is dat de patiënt geen deel uitmaakt van de productie- en distributieketen, maar daarin slechts de rol vervult van een ‘derde-betaler’ namens de eindverbruiker. En deze eindverbruiker is de verzekeraar (die daarmee wel in de keten wordt betrokken). Hoewel het resultaat mij aanspreekt (en de cirkel met het Elida Gibbs-arrest rond is), heeft deze overweging naar mijn idee wel wat weg van een doelredenering. Het had mijns inziens meer voor de hand gelegen om de patiënt als eindverbruiker te bestempelen (het is immers ook de patiënt die een overeenkomst / rechtsbetrekking heeft met de apotheker)5, de verzekeraar buiten de keten te plaatsen, en de korting toe te rekenen aan de patiënt (waarbij een derde – de verzekeraar – deze, naar analogie met de ‘betaling door een derde’Vgl. paragraaf 4.3.1.1.1., ontvangt). Ik verwacht dan ook dat dit arrest heel wat (meer) pennen in beweging zal zetten.