Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort
Einde inhoudsopgave
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.3.4:6.3.4 Faillissementswet en Recofa-richtlijnen
Administratieplicht en aansprakelijkheid voor het boedeltekort (O&R nr. 115) 2019/6.3.4
6.3.4 Faillissementswet en Recofa-richtlijnen
Documentgegevens:
mr. drs. C.M. Harmsen , datum 01-07-2019
- Datum
01-07-2019
- Auteur
mr. drs. C.M. Harmsen
- JCDI
JCDI:ADS180143:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Artikel 1.4 Recofa-richtlijnen faillissementen en surseances van betaling, versie 2019.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In artikel 227 Fw is voor de bewindvoerder de verplichting opgenomen om periodiek, telkens na afloop van drie maanden, verslag uit te brengen over de toestand van de surseanceboedel. Een verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording bij het einde van de surseance van betaling is niet opgenomen in de afdeling over de surseance van betaling in de Faillissementswet.
In de Recofa-richtlijnen, die regels bevatten voor de behandeling van faillissementen en surseances van betaling, staat dat de regels inzake faillissementen ook van toepassing zijn op de (voorlopige) surseance van betaling, tenzij anders is bepaald of de strekking van de surseance van betaling zich tegen toepassing verzet.1
Over de wijze van afleggen van rekening en verantwoording bevatten de Recofa-richtlijnen voor surseances van betaling geen afwijkende regels ten opzichte van die voor de faillissementsprocedure. Gezien het verschil in de aard van de beide procedures ligt het naar mijn mening minder voor de hand dat de bewindvoerder in een surseance van betaling op dezelfde wijze rekening en verantwoording aflegt als in het geval van een faillissement. Gedurende een surseance van betaling is het de sursiet die verantwoordelijk is voor de voortdurende naleving van de administratieplicht ter zake van de door de sursiet gedreven onderneming en niet de bewindvoerder.
Voor de bewindvoerder geldt wel dat hij rekening en verantwoording moet afleggen van de bestede uren. Deze maken immers geen deel uit van de administratie van de sursiet en zijn wel relevant om verantwoording te kunnen afleggen aan de rechter-commissaris.