Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/10.4.6.3
10.4.6.3 Zakelijke overwegingen in de wetsgeschiedenis
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491680:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Het komt mij voor dat deze uitlatingen van de wetgever ook relevant (kunnen) zijn voor de inhoud van ‘zakelijke overwegingen’ in art. 14a, lid 6, tweede volzin, Wet VPB 1969 en art. 3.56, lid 4, tweede volzin, Wet IB 2001. Zie ook Brandsma & De Vries 2001, onderdeel 3.3.5.3, p. 67-69, die bovendien uitgebreider aandacht besteden aan de hierna in de hoofdtekst samen te vatten wetsgeschiedenis. Van der Vegt, WFR 2002/1809, onderdeel 3.3, voetnoot 27, geeft aan dat het niet zeker is of de wetgever de destijds gegeven invulling van ‘zakelijke overwegingen’ ook onder de huidige wetgeving aanhangt. Tegelijkertijd wijst deze auteur erop dat de terminologie voor het merendeel gelijkluidend is en dat de wetgever niet heeft aangegeven vanaf 2001 een andere interpretatie voor te staan.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 5. Dat zou aan de orde zijn als gebruik zou worden gemaakt van de rechtsfiguur van de splitsing om daarmee (i) een belaste verkoopwinst om te zetten in een onbelaste overdracht van een deelneming of (ii) een belaste dividenduitkering om te zetten in een onbelaste vervreemding van aandelen.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 7 en nr. 5, p. 7.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 6. De ‘fiscale positie’ wordt niet begrepen onder de ‘economische positie’.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 7 en 13, nr. 5, p. 6-8 en de Brief van 1 april 1998, V-N 1998/18.15, onderdeel 3.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 3, p. 7. Volgens de wetgever spelen aandeelhoudersmotieven in deze situaties in het algemeen slechts een rol ingeval een (samenwerkende groep van) aandeelhouder(s) doorslaggevende zeggenschap heeft in de splitser of verkrijger(s). Voor de beoordeling of daarvan sprake is, spelen onder meer het aandelenbezit, stemrechtverdeling en de statuten een rol. Zie Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 8.
Kamerstukken II 1997/98, 25 709, nr. 5, p. 7, nr. 9, p. 4. Dit standpunt behoeft nuancering. In onderdeel 10.4.5.6 is het uitkoopsplitsingsarrest (BNB 2012/261) behandeld. Zoals daar is opgemerkt, kan de feitelijke uitkoop van (een) aandeelhouder(s) noodzakelijk zijn met het oog op de continuïteit van de onderneming. Vertaald naar de huidige antimisbruikbepaling is de splitsing in dergelijke (specifieke) gevallen mijns inziens niet in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. In het uitkoopsplitsingsarrest was echter geen sprake van zo’n feitencomplex. In die zaak werd de splitsing namelijk doorgevoerd om dreigende a.b.-heffing af te wenden.
Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202a, p. 31.
Vgl. Kamerstukken II 2009/10, 32 129, nr. 8, p. 64-65 en p. 67. In die passage wordt een houdstermaatschappij gesplitst om - kort gezegd - een structuur te bereiken die in staat stelt uitsluitend het ondernemingsvermogen te schenken aan de bedrijfsopvolger. Volgens de wetgever is zo’n splitsing niet in overwegende mate gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Een aandeelhoudersmotief staat in die gevallen niet aan fiscale facilitering in de weg, aldus de wetgever. Mijns inziens maakt deze passage pijnlijk duidelijk dat de term aandeelhoudermotieven onderscheidend vermogen ontbeert bij het detecteren van potentieel misbruik. Ik kom daar nog op terug.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 71. Zie ook HR BNB 2021/35, rechtsoverweging 2.3.3. Hetzelfde geldt voor de terminologie ‘herstructurering en rationalisering’ uit het bewijsvermoeden van art. 15 Fusierichtlijn. Zie HvJ EU, C-126/10 (Foggia), BNB 2012/5, punt 45.
Zie Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 150. De wetgever verwijst ter onderbouwing naar een overweging uit de considerans van de Fusierichtlijn waarin staat dat die richtlijn tot doel heeft ondernemingen in staat te stellen zich aan te passen aan de eisen van de gemeenschappelijke markt, hun productiviteit te vergroten en hun concurrentiepositie op de internationale markt te versterken. In de Fusierichtlijn 2009 is dit overweging 2.
Kamerstukken II 1998/99, 26 727, nr. 3, p. 115 en Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 7, p. 150.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 72. Deze opmerking is gemaakt om iedere onduidelijkheid weg te nemen. Deze onduidelijkheid heeft de wetgever overigens zelf veroorzaakt. Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 53: “De term actieve werkzaamheden is gekozen teneinde een onderscheid te kunnen maken tussen vennootschappen bij wie de werkzaamheden niet uitgaan boven normaal vermogensbeheer (passieve vennootschappen) en vennootschappen die materieel een onderneming drijven.” Zie hierover ook Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.3.5.3, p. 37, voetnoot 86.
Kamerstukken II 1999/00, 26 727, nr. 17, p. 72 en Kamerstukken I 1999/00, 26 727 en 26 728, nr. 202c, p. 26.
In dezelfde zin Boulogne & Brandsma 2019, onderdeel 3.3.5.3, p. 35. Vgl. ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.2.5, p. 303.
Kamerstukken II 1998/99, 26 728, nr. 3, p. 53. In deze passage wordt de antimisbruikbepaling van de bedrijfsfusiefaciliteit toegelicht (art. 14, lid 4, Wet VPB 1969). Voor splitsingen geldt materieel dezelfde antimisbruikbepaling en in de toelichting daarop wordt dan ook slechts verwezen naar de toelichting bij de bedrijfsfusie.
Zie de onderdelen 10.4.6.4 en 10.4.6.5.
De huidige antimisbruikbepaling is ingevoerd met ingang van 2001. In de periode 1998 tot 2001 gold een (afwijkende) zakelijkheidseis. Fiscale facilitering was destijds slechts mogelijk indien de splitsing in overwegende mate door zakelijke overwegingen was ingegeven.1 In de bijbehorende wetsgeschiedenis is aandacht besteed aan de betekenis van de woorden ‘zakelijke overwegingen’. Omdat dit (enig) inzicht geeft in de gedachtegang van de wetgever, vat ik de hoofdlijnen hieronder beknopt samen:2
Het is niet mogelijk een splitsing voor een gedeelte te kwalificeren als in overwegende mate ingegeven door zakelijke overwegingen.3 Er wordt dus gekeken naar de splitsing als geheel.4
Fiscale overwegingen worden gezien als niet-zakelijke overwegingen.5 De fiscale begeleiding mag niet tot gevolg hebben dat fiscale claims verloren gaan en is niet bedoeld om vormen van belastingbesparing te faciliteren. Er dient voor gewaakt te worden dat een belaste transactie wordt omgezet in een onbelaste transactie.6
De beoordeling of aan de splitsing zakelijke motieven ten grondslag liggen, moet plaatsvinden vanuit de positie van de bij de splitsing betrokken rechtspersonen (de splitsingspartners).7 Voor hen moet de splitsing plaatsvinden op basis van bedrijfseconomische motieven, zoals een duurzame rationalisatie of herstructurering van activiteiten. Het gaat erom dat de splitsing in het belang is van de economische positie van de splitsingspartners.8
Aandeelhoudersmotieven kwalificeren niet als zakelijke motieven.9 Indien de activiteiten van de splitsende rechtspersoon worden gesplitst in beleggingen en ondernemingsactiviteiten, zal de splitsing veelal zijn ingegeven door aandeelhoudersmotieven, zoals het beperken van het aansprakelijk vermogen voor de ondernemingsactiviteiten.10 Aandeelhoudersmotieven kunnen ook aanwezig zijn als een afsplitsing plaatsvindt met het oog op de verkoop van een gedeelte van de onderneming van de afsplitser.11 De omstandigheid dat aandeelhouders belang hebben bij een splitsing betekent niet automatisch dat de splitsing onzakelijk is.12
In het geval van een bedrijfsopvolging zal sprake zijn van bedrijfseconomische belangen voor de splitsingspartners, namelijk het zekerstellen van de toekomst van de onderneming. Het is tegelijkertijd mogelijk dat ook aandeelhoudersbelangen en fiscale overwegingen een rol spelen. In dergelijke gevallen moet worden vastgesteld welke overwegingen voor de splitsingspartners doorslaggevend zijn om op de gekozen manier te splitsen.13
Een ernstig verstoorde relatie tussen aandeelhouders kan tot gevolg hebben dat de continuïteit van de activiteiten van een rechtspersoon wordt bedreigd. In zo’n geval kan een (ruzie)splitsing ook op het niveau van de betrokken rechtspersoon in overwegende mate zijn gebaseerd op zakelijke overwegingen.14 Fiscale begeleiding is niet aan de orde indien de facto sprake is van een (gedeeltelijke) uitkoop van één of meer aandeelhouders, ook niet als dat plaatsvindt in het kader van bedrijfsopvolging.15 Van zo’n uitkoop is bijvoorbeeld sprake als de splitsing ertoe leidt dat (een deel van) de aandeelhouders na de splitsing alleen aandelen houdt in een vennootschap met liquide middelen of (eenvoudig verzilverbare) beleggingen.16
Tijdens de parlementaire behandeling van de huidige antimisbruikbepalingen17 is aandacht besteed aan de verhouding tussen het begrip zakelijke overwegingen in de pre-2001-wetgeving en diezelfde term in de huidige wetgeving.18 De wetgever acht het strikt genomen juist dat het begrip zakelijke overwegingen vanaf 2001 in een ander daglicht is komen te staan, namelijk in dat van de Fusierichtlijn. De wetgever heeft evenwel tegelijkertijd opgemerkt dat uit de considerans van de Fusierichtlijn kan worden opgemaakt dat de Fusierichtlijnfaciliteiten in het leven zijn geroepen voor wijzigingen van de juridische structuur die bijdragen aan de bedrijfsvoering, expansie en dergelijke van de betrokken ondernemingen. Het gaat volgens de wetgever daarbij over reorganisaties die zijn ingegeven door zakelijke motieven op het niveau van de betrokken ondernemingen. Daarmee is niet gezegd dat het ontbreken van een zakelijk motief onder alle omstandigheden aan het verlenen van de faciliteit in de weg zou staan. Ontbreken zakelijke beweegredenen, bijvoorbeeld omdat slechts sprake is van een aandeelhoudersmotief, dan dient de belanghebbende voor het verkrijgen van de fiscale faciliteit aannemelijk te maken dat geen sprake is van het ontgaan of uitstellen van belastingheffing. Het ontbreken van zakelijke overwegingen resulteert dus in een misbruikvermoeden.
Wordt een aandelenfusie tot stand gebracht in het kader van een bedrijfsopvolging, dan zullen er volgens de wetgever in de regel zakelijke overwegingen aan de aandelenfusie ten grondslag liggen.19 Hoewel deze opmerking is toegespitst op een aandelenfusie, geldt hetzelfde ingeval een splitsing wordt doorgevoerd in het kader van een bedrijfsopvolging.20
In art. 14a, lid 6, tweede volzin, Wet VPB 1969 en art. 3.56, lid 4, tweede volzin, Wet IB 2001 zijn voorbeelden genoemd van zakelijke overwegingen, namelijk herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden. Bevestigd is dat dit slechts voorbeelden zijn, wat ook blijkt uit het gebruik van het woord ‘zoals’ in de wettekst.21 Tijdens de parlementaire behandeling van de huidige antimisbruikbepaling is over deze voorbeelden verder samengevat het volgende opgemerkt:
Volgens de wetgever ziet de Fusierichtlijnterm activiteiten op werkzaamheden die uitgaan boven het beheren van vermogen.22 In de vennootschapsbelasting wordt het onderscheid tussen ondernemingsactiviteiten en beleggingsactiviteiten aangeduid met actieve respectievelijk passieve werkzaamheden. Daarom is ‘activiteiten’ vertaald met ‘actieve werkzaamheden’.23
De woorden actieve werkzaamheden hebben een ruimere reikwijdte dan het materiële ondernemingsbegrip.24 Werkzaamheden die worden verricht als houdstermaatschappij kunnen actieve werkzaamheden zijn (zie ook punt 4 hierna).25 Indien de werkzaamheden in het kader van het beleggen van vermogen niet uitgaan boven normaal vermogensbeheer, is geen sprake van actieve werkzaamheden. Het bedrijfsmatig beheren van vermogen valt daarentegen niet onder het begrip beleggen.26
De beoordeling of er sprake is van actieve werkzaamheden moet plaatsvinden vanuit het perspectief van de splitsingspartners en niet vanuit het perspectief van de (achterliggende) participanten zoals aandeelhouders.27
Bij het beoordelen of sprake is van een herstructurering van de actieve werkzaamheden van de overdrager en overnemer, moet de situatie die vóór de bedrijfsfusie aanwezig was, worden vergeleken met de situatie die door de bedrijfsfusie ontstaat. Wordt de overnemer nieuw opgericht en verkrijgt deze bij de bedrijfsfusie activiteiten van de overdrager, dan wordt de overnemer door de bedrijfsfusie als het ware actief. De overdrager heeft na de bedrijfsfusie de functie van houdstermaatschappij. Hiermee is sprake van een reorganisatie van de actieve werkzaamheden.28 Hoewel deze passage is toegespitst op bedrijfsfusies, speelt dit ook bij moeder-dochterafsplitsingen.29 Daarbij gaat (een deel van het) vermogen van de afsplitser over naar een nieuw opgerichte verkrijger. Deze verkrijger wordt door de afsplitsing actief. Indien alle activiteiten van de afsplitser overgaan naar de verkrijger, fungeert eerstgenoemde voortaan als houdstermaatschappij.
Met betrekking tot de toelichting van de wetgever op het misbruikvermoeden is iets opmerkelijks aan de hand. Enerzijds is namelijk bevestigd dat ‘herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden van de splitsende- en de verkrijgende rechtspersonen’ slechts voorbeelden zijn (zie hiervóór), terwijl anderzijds het volgende is opgemerkt:30
“Ingeval de vennootschap als passief kan worden aangemerkt, zal worden aangenomen dat de fusie niet is gericht op de herstructurering of rationalisering van de actieve werkzaamheden. Deze actieve werkzaamheden worden immers niet door een dergelijke vennootschap verricht. De faciliteit is in een dergelijke situatie dan ook niet van toepassing, tenzij belastingplichtige aannemelijk maakt dat de fusie niet is gericht op het ontgaan of uitstellen van belastingheffing.”
Omdat niet is voldaan aan een voorbeeld van zakelijke overwegingen, te weten een herstructurering of rationalisering van actieve werkzaamheden, wordt de belastingplichtige in een tegenbewijspositie gemanoeuvreerd. Als wordt bedacht dat dit laatste uitsluitend aan de orde kan zijn als zakelijke overwegingen ontbreken, moet aan het citaat de gedachte ten grondslag liggen dat bij een fusie of splitsing van een passieve vennootschap per definitie zakelijke overwegingen ontbreken. Hier wordt dus een voorbeeld verabsoluteerd en dat is – op z’n zachtst gezegd – opmerkelijk. Ik kom hierop terug.31