Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/3.3
3.3 Ratio recht op beroep
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS603456:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Baror in: Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (19 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.961, p. 260.
Baror in: Verslag Algemene Vergadering, Derde Commissie (23 november 1959), UN Doc A/C.3/SR.964, p. 274.
Vgl. General Comment 2007/32, onderdeel 58; zo ook Trechsel 2005, p. 363; Barkhuysen 1998, p. 193-194.
Art. 13 EVRM is hierop in beginsel niet van toepassing, behoudens bijzonder gevallen, zie EHRM (GK) 26 oktober 2000, nr. 30210/96, NJ 2001/594, m.nt. Alkema (Kudla/Polen) en daarover bijv. Jacobs, White & Ovey 2014, p. 137-139.
Fedorova 2012, p. 35-36.
EHRM 30 oktober 2014, 17888/12 (Shvydka/Oekraïne).
EHRM 30 oktober 2014, 17888/12 (Shvydka/Oekraïne).
Vgl. De Hullu 1989, p. 141 en Trechsel 2005, p. 362.
Inter-Amerikaans Hof voor de Mensenrechten, geciteerd in Medina 2014, p. 318; vgl. tevens Caianiello 2016, p. 288.
Zie in het bijzonder paragraaf 3.10d.
De totstandkomingsgeschiedenis van artikel 14 lid 5 IVBPR onthult drie grondslagen of fundamenten voor het mensenrecht op beroep. De initiatiefnemer voor recht op beroep in het IVBPR, de Israëliër Baror, verdedigde zijn voorstel met de overweging dat “there could be no justice in criminal law unless everyone’s right of appeal to a higher court for review of judgements were recognized. Only a higher court could decide whether a trial had been conducted in accordance with the principles formulated in article 14.”1 Het recht op beroep wordt hier niet alleen gepresenteerd als zelfstandig en onherleidbaar persoonlijk recht, maar ook als middel voor correctie van (sommige) mensenrechtenschendingen. Naar aanleiding van een Ceylonees subamendement wees Barror in een latere vergadering erop dat “the right to appeal [is] the only way to deal with miscarriages of justice before it was too late” en dat het recht een zekere garantie inhoudt dat “persons would not be wrongly condemned to years of suffering”.2 Daarmee verdedigt hij het recht op beroep vooral als waarborg voor accurate veroordelingen en vrijspraken.
Als deze uitlatingen van Barror van enige afstand worden bezien, kan het recht op beroep ten eerste worden bezien als een specialis van het recht op een effective remedy tegen verdragsschendingen. Dat wil zeggen dat beroep beschikbaar moet zijn in gevallen waarin in eerdere aanleg oneerlijk is berecht en de beroepsrechter die schendingen van artikel 6 EVRM moet kunnen herstellen. Het recht op beroep bevat in deze benadering een remedie voor schendingen van het recht op een eerlijk proces. Nog iets ruimer benaderd kan het recht op beroep worden gezien als rechtsmiddel tegen alle soorten mensenrechtenschendingen.3 Beroep moet in deze benadering niet alleen geschikt zijn om de schending van het recht op een eerlijk proces herstellen of compenseren, bijvoorbeeld door in hoger beroep alsnog een cruciale getuige te horen, maar moet ook geschikt zijn om schending van materiële mensenrechten te herstellen, bijvoorbeeld als een veroordeling voor belediging in strijd komt met het recht op vrije meningsuiting. Het recht op beroep kan dus in het algemeen worden benaderd als een effective remedy tegen de (dreigende) schending van materiële en procedurele mensenrechten. In aanvulling op artikel 13 EVRM beschermt het recht op beroep ook tegen mensenrechtenschendingen begaan door rechters.4
Ten tweede kan het recht op beroep worden beschouwd als een onderdeel van het recht op een eerlijk proces. De tekst van zowel artikel 14 lid 5 IVBPR als artikel 2P7 EVRM bepaalt dat beroep moet openstaan tegen élke conviction, niet alleen tegen de veroordelingen die een mensenrechtenschending behelzen. In plaats van ‘louter’ een remedie tegen schendingen van mensenrechten, biedt het recht op beroep zo bezien meer algemeen een waarborg voor eerlijke berechting. Ook het recht op een eerlijk proces is van toepassing als een persoonlijk belang op het spel staat, en niet pas als mensenrechten in het geding zijn. Het recht op een eerlijk proces geeft diverse waarborgen bij elke criminal charge, niet alleen bij vervolgingen die zouden kunnen leiden of reeds hebben geleid tot een inbreuk op een mensenrecht. Aldus benaderd beschermt het recht op beroep de belangen van burgers in ruime zin, niet alleen hun (mensen)rechten. In deze benadering kan de tweeledige algemene ratio van het recht op een eerlijk proces dan ook op het recht op beroep worden geprojecteerd: bevorderen van accurate resultaten in strafzaken en respect voor de waardigheid van de verdachte als autonome procespartij.5 In deze zin kan ook het EHRM worden begrepen, dat in de zaak Shvydka/Oekraïne overwoog dat het recht op beroep is gericht op “providing a possibility to put right any shortcomings at the trial or sentencing stages of proceedings once these have resulted in a conviction” [dikgedrukt, GP].6 Ten eerste spreekt het EHRM hier van any tekortkoming, niet alleen van schendingen van mensenrechten. En ten tweede vereist het meer dan compensatie voor die tekortkoming, maar spreekt het van de mogelijkheid to put right bepaalde tekortkomingen in het geding. In de betreffende zaak, die gaat over dadelijke tenuitvoerlegging, wijst het EHRM meer specifiek erop dat het recht op beroep meer garandeert dan een “retrospective and purely compensatory remedy”.7 Ook dat suggereert dat het recht op beroep meer is dan een specialis van het recht op een effectieve remedie tegen verdragsschendingen.
Natuurlijk dienen rechtsmiddelen hiernaast ook algemene waarden of belangen, zoals rechtseenheid en rechtsontwikkeling. Er is wel betoogd dat deze belangen niet het mensenrecht op beroep kunnen funderen, dat immers in verdragsrecht is opgenomen ten behoeve van burgers.8 Steun hiervoor is te vinden in de jurisprudentie van het EHRM en CRM, waarin ik in geen enkele uitspraak een verwijzing naar deze algemene belangen als fundament voor het recht op beroep heb aangetroffen. Dit wil natuurlijk niet zeggen dat het mensenrecht op beroep blind is voor algemene belangen als het gaat om beperking van dat recht. Wel zou dit betekenen dat het mensenrecht op beroep niet reeds in acht is genomen indien een rechtsmiddel algemene belangen bevordert. Dat een rechtsmiddel bijdraagt aan rechtseenheid en rechtsontwikkeling is dus vanuit het perspectief van het mensenrecht op beroep hoogstens mooi meegenomen, maar niet voldoende voor vervulling van dat recht. Een citaat uit een uitspraak van het Inter-Amerikaans Hof voor Mensenrechten geeft hier uitdrukking aan: “[The right to appeal] involves a guarantee to the individual against the State and is not merely a guide for the design of appeal systems within the domestic legal systems of the State Parties to the Convention.”9
Het mensenrecht op beroep lijkt dus kortom niet als systeemwaarborg te moeten worden gezien, maar veeleer (i) als op zichzelf staand vereiste van procedurele rechtvaardigheid, (ii) als waarborg voor de accuratesse van de uitkomst van de strafprocedure en (iii) als waarborg voor inachtneming van de mensenrechten van de verdachte. Hieronder zal blijken dat het EHRM en het CRM geen duidelijke prioriteit tussen deze drie grondslagen voor het recht op beroep hebben aangebracht. Sterker nog, de grondslagen voor het recht op beroep lijken in de rechtspraak over dat recht geen grote rol te spelen.10