Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/2.4.5
2.4.5 Kwalitatieve gegevens
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS497029:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Gekozen is voor het benaderen van advocaten als professionele dienstverleners van partijen vanuit de overweging dat deze juridische overwegingen en keuzes kunnen verwoorden vanuit een professionele en emotioneel neutralere positie dan de belanghebbende zelf, en bovendien door het cliëntcontact in staat zijn om inzicht in beleving en positie van de cliënt te kunnen geven. De beroepsgroep van advocaten is een belangrijke speler in het veld waar strategische keuzes worden gemaakt.
Om uit te sluiten dat de omstandigheid dat het gebruik van rekesten uit de laatste twee weken van februari 2008 (hetgeen een relatief korte periode is) de steekproef heeft kunnen beïnvloeden, is het aantal rekesten voor een fictieve werkdag berekend op basis van bekende jaarcijfers over 2006. Zie voor samenstelling steekproef tabel 1 in het Research Memorandum, pagina 39.
Voor nadere details over de werkwijze bij de vraaggesprekken: zie p. 39-41 Research Memorandum.
Zie bijlage 6 van het Research Memorandum.
Door de sectorvoorzitters Civiel van de zes meewerkende gerechten werden hiervoor zes voorzieningenrechters en vijf secretarissen voorgedragen. De hier gebruikte verzamelterm secretarissen staat voor secretaris-juristen alsmede medewerkers die een S-opleiding volgden en werkzaam waren in de functies van administratief juridisch medewerker, adjunct-secretaris, stafjurist en senior juridisch medewerker. In één geval vond de beoordeling van rekesten zonder tussenkomst van een secretaris plaats, als gevolg waarvan met vijf in plaats van zes secretarissen werd gesproken.
Aanleiding hiervoor is geweest dat op Curaçao, anders dan in Nederland, het zwart maken van beslagen nog tot de mogelijkheden behoort.
Kwantitatieve gegevens leveren tot op zekere hoogte informatie over de werking van processen. Het gaat om objectief vastgestelde grootheden. Zo kunnen kwantitatieve gegevens een beeld geven van bijvoorbeeld de omvang van het gebruik van conservatoir beslag, de partijen die hierbij betrokken zijn et cetera. Zij geven echter geen informatie over de redenen waarom. Hiervoor is men aangewezen op informatie van ‘gebruikers’ van regelingen en voorschriften, die kunnen aangeven wat de beweegredenen zijn om op grond van bepaalde overwegingen al dan niet gebruik te maken van beschikbare opties. Zo bezien kunnen kwalitatieve gegevens dienen om kwantitatieve resultaten te duiden. Een voorbeeld hiervan is dat (kwantitatief) kan worden vastgesteld dat sprake is van een gering aantal opheffingskortgedingen ten opzichte van het aantal afgegeven verloven. Hiermee kan echter nog niet de vraag worden beantwoord wat daar de reden voor is. Hiervoor is het noodzakelijk om te weten waarom spelers in het veld bepaalde keuzes maken. De kwalitatieve vraagstelling is ontwikkeld om ook op dit onderdeel inzicht te verkrijgen.
Aan de vraaggesprekken in het kader van het onderzoek naar conservatoir beslag werd meegewerkt door advocaten van beslagleggers en advocaten van partijen die werden geconfronteerd met een beslag. Hierbij is toegezegd dat gegevens over specifieke zaken, cliënten, advocaten en kantoren tot niet herleidbare algemene conclusies zouden worden verwerkt. Om uit te sluiten dat er door het afnemen van een vraaggesprek enige vorm van ongewenste (wellicht onbewuste) gegevensverstrekking naar een wederpartij zou kunnen plaatsvinden, is bovendien een strikte scheiding gehanteerd tussen de categorieën respondenten ‘advocaten van beslagleggers’ en ‘advocaten van beslagenen’, in die zin dat een zaak die in de eerste categorie tot een vraaggesprek leidde, uitgesloten werd van een vraaggesprek in de tweede categorie. Deze vraaggesprekken vonden plaats om inzicht te krijgen in doel en achtergronden van het verzoeken van verlof, alsmede de effecten na een gelegd beslag en de reactie hierop zijn langs de weg van telefonische vraaggesprekken kwalitatieve gegevens verzameld. Aan de hand van gestructureerde vragenlijsten zijn gesprekken gevoerd met twee groepen van ieder negenentwintig advocaten: zij die ten behoeve van een cliënt een verlof tot het leggen van beslag verkregen en advocaten van partijen die met een beslaglegging zijn geconfronteerd.1 Als basis hebben hiervoor rekesten gediend waarop bij een der meewerkende rechtbanken verlof werd verleend in de laatste twee weken van februari 2008. Voor deze zogenoemde ‘heet-van-de-naald’-methode is gekozen vanuit de wetenschap dat respondenten zuiverder informatie over zowel zaaksinhoud als emotionele aspecten verstrekken wanneer het om een recente gebeurtenis gaat. De selectie van rekesten heeft plaatsgehad door het nemen van een aselecte quotasteekproef (de onderzoekseenheden zijn willekeurig getrokken, het aantal te selecteren rekesten is tevoren bepaald) op basis van een fictieve werkdag.2 Beide groepen respondenten ontvingen een verzoek om medewerking via een gepersonifieerde e-mail met als bijlage een gezamenlijke brief van de Raad voor de rechtspraak en het Molengraaff Instituut. Een aantal advocaten heeft, alvorens mee te werken, voorafgaand aan het vraaggesprek overleg gehad met de cliënt of binnen het eigen kantoor. De antwoorden zijn tijdens de gesprekken schriftelijk vastgelegd op vragenlijsten. Tevens zijn basisgegevens geregistreerd over het type hoofdzaak waarin een vraaggesprek heeft plaatsgevonden en (voor de groep advocaten van beslagenen) de zaken waarin het niet tot een vraaggesprek is gekomen.3
Ook kan het zo zijn dat besluitvormingsprocessen voor buitenstaanders onzichtbaar zijn. De afwegingen, gemaakt bij de beoordeling van een beslagrekest bijvoorbeeld, zijn niet kenbaar uit een verleend verlof. Wil men weten hoe een dergelijke beoordeling in de praktijk in zijn werk gaat, dan is men, naast kennis over regels en voorschriften die voor een dergelijke beoordeling zijn vastgesteld, aangewezen op informatie van ‘gebruikers’ van die regelingen en voorschriften, die kunnen (en willen) vertellen wat de beweegredenen zijn om op grond van bepaalde overwegingen al dan niet gebruik te maken van beschikbare opties. Zo zijn in het kader van het (in 2006 uitgevoerde) onderzoek naar de beoordeling van beslagrekesten in de praktijk aan de hand van gestructureerde vragenlijsten4 afzonderlijke facetoface vraaggesprekken gevoerd met voorzieningenrechters en secretarissen voor wie het beoordelen van beslagrekesten tot de dagelijkse werkzaamheden behoorde.5 Tijdens de gesprekken is ruimte geboden voor nadere toelichting, waarvan door de respondenten in ruime mate gebruik is gemaakt. De inhoud en toepassing van de regels en voorschriften, opgenomen in de toenmalige Beslagsyllabus, heeft tijdens deze vraaggesprekken een belangrijke rol gespeeld. De resultaten van deze gesprekken zijn schriftelijk vastgelegd en een weergave hiervan is nadien ter controle aan de respondenten voorgelegd. In 2007 vond, in aanvulling op de vraaggesprekken bij gerechten in Nederland, nog een vraaggesprek in het kader van de beoordeling van beslagrekesten plaats met een voorzieningenrechter in Willemstad, Curagao.6
In het kader van dit proefschrift werden met betrekking tot de (werking van) de Beslagsyllabus als rechtersregeling, aan de hand van half gestructureerde vragenlijsten open Expert-Interviews afgenomen van voorzieningenrechters en de Raadadviseur van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Specifiek is hierbij gesproken over de volgende onderwerpen: de Beslagsyllabus en de totstandkoming ervan, de binding aan de Beslagsyllabus, de invloed van rechters en buitenstaanders op de inhoud van de Beslagsyllabus en de rol van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, de Raad voor de rechtspraak, het LOVC(K) en de Hoge Raad in relatie tot de Beslagsyllabus. De vraaggesprekken werden digitaal vastgelegd. De resultaten zijn, overwegend zonder vermelding van naam en functie van de respondenten, opgenomen in hoofdstuk vier over rechtersregelingen en de Beslagsyllabus en hoofdstuk negen over conservatoir beslag als dynamisch recht.