Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.2.2:3.2.2 Historische ontwikkeling getuigenbewijs op het West-Europese continent
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/3.2.2
3.2.2 Historische ontwikkeling getuigenbewijs op het West-Europese continent
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Garé 1994, p. 7 en Lepsius 2003, p. 12.
Lepsius 2003, p. 11.
Van Binsbergen 1986, p. 54.
Fockema Andrea 1897, p. 60.
Fockema Andrea 1897, p. 61.
Lepsius 2003, p. 12-1, Van Binsbergen 1986, p. 76.
Fockema Andrea 1897, p. 63.
Van Binsbergen 1986, p. 76.
Geppert 1979, p. 60.
Voorduin 1940, p. 625 en 626.
Geppert 1979, p. 61.
Zie § 8.2.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het recht spelen verklaringen afkomstig van getuigen van oudsher een zeer belangrijke rol. De manier waarop in het continentale recht tegen het getuigenbewijs wordt aangekeken, is echter in de loop der eeuwen sterk veranderd. Daarbij valt een geleidelijke ontwikkeling te constateren van de getuigenverklaring als formeel bewijsmiddel naar een meer materieel bewijsmiddel.
Wanneer we teruggaan in de geschiedenis naar het Germaanse strafproces, dan zien we dat de bewijslevering door middel van getuigenverklaringen toen nog zuiver formeel van aard was.1 Binnen de procedure die zich kenmerkte door zijn mondelinge en openbare karakter, werd gebruikgemaakt van zogenaamde eedhelpers: personen die onder ede een verklaring afleggen omtrent hun geloof in de onschuld van hun stamgenoot, de beschuldigde.2 De waarborg voor de waarachtigheid of oprechtheid van de verklaring was gelegen in de eedaflegging en de persoon van de eedhelper, die een respectabele man en van dezelfde stand als de aangeklaagde moest zijn. Er werd hun echter niets gevraagd over de toedracht.3 Getuigen die een verklaring over hun eigen waarneming aflegden, zien we voor het eerst in de vijfde en zesde eeuw. Ook hier betreft het nog een formeel bewijsmiddel. Getuigen verklaarden over de gehele inhoud van de aanklacht en werden niet aan ondervraging blootgesteld.4 De enkele eedaflegging werd voldoende geacht. Langzaam werd men zich ervan bewust dat het afleggen van de eed niet voldoende is om de waarheidsgetrouwheid te verzekeren en werden er aan het begin van de negende eeuw nadere regels gesteld. Zo moesten getuigen ten tijde van het afleggen van de verklaring nuchter zijn en werden zij een voor een verhoord.5
Het streven naar de materiële waarheid kwam mede onder invloed van het canonieke recht steeds meer centraal te staan. Gedurende de hoge middeleeuwen en met de ontwikkeling van het inquisitoire strafproces kregen getuigen een steeds belangrijkere plaats in de bewijsvoering en raakten ‘irrationele’ bewijsmiddelen als de godsoordelen en de tweekamp op de achtergrond.6 Tegen die tijd had de getuigenverklaring zich ontwikkeld naar een meer materieel bewijsmiddel dat niet op het geheel van de aanklacht hoefde te zien maar ook een deel van de aanklacht mocht bestrijken.7 Eedhelpers en ‘moderne’ getuigen die verklaarden over de toedracht konden in die tijd echter nog tezamen worden aangetroffen.8
De verplichting om de materiële waarheid te achterhalen kwam eveneens terug in het bewijsrecht van de Code d’Instruction Criminelle van 1808, dat zijn sporen draagt van de Franse revolutie en de verlichting. Zo werden getuigen verplicht ter terechtzitting te verschijnen en een waarheidsgetrouwe verklaring af te leggen.9 De Franse wetgever had in de Code d’Instruction Criminelle ook enkele bepalingen neergelegd om de waarheidsgetrouwheid van de verklarin-gen van getuigen trachten te waarborgen.10 Deze waarborgen hadden echter met name betrekking op de vraag wie er onder ede als getuige mocht worden gehoord, maar de waarborgen zagen niet op de inhoud van de verklaring. Zo was het gebruik van verklaringen van horen zeggen voor het bewijs toegestaan.11 In het Nederlandse Wetboek van Strafvordering van 1838, dat in belangrijke mate werd beïnvloed door het Franse recht, werd neergelegd dat iedere afgelegde getuigenis moest zien op feiten welke de getuige zelf had gehoord, gezien of ondervonden. Dit is de voorloper van de definitie, zoals het wetboek die tot op de huidige dag nog kent.12