Einde inhoudsopgave
De exhibitieplicht (BPP nr. X) 2010/8.1.2
8.1.2 Het bewijsrecht biedt geen eenduidig criterium voor beperking van de toelating tot bewijslevering
mr. J. Ekelmans, datum 02-12-2010
- Datum
02-12-2010
- Auteur
mr. J. Ekelmans
- JCDI
JCDI:ADS380730:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 19 december 2003, NJ 2004, 584, r.o. (Wustenhoff/Gebuis).
Beenders 2010, (T&C Rv), art. 201, aant. 2 onder c.
HR 14 december 2001,NJ 2002, 73, r.o. 3.3.3(D/Ruitersportcentrum Terwinselen); HR6 december 2002, NJ 2003, 63, r.o. 3.5(Goedel/Arts q.q.); HR 9 september 2005, NJ 2006, 619, r.o. 6.2(Navcom/Philips Nederland).
HR 27 juni 1997, NJ 1998, 328, r.o. 3.7(Schelhaas/Delta Lloyd).
Zie voor bespreking van die rechtspraak: D. Reisig, Het aanbod van getuigenbewijs (diss. Amsterdam UvA) z.u. 2005; Ekelmans 2008b, p. 100-107.
Asser, Groen en Vranken 2003, p. 88-89.
Asser, Groen en Vranken 2006, p. 185.
HR 4 juni 1993, NJ 1993, 659, r.o. 3.4(VredoDodewaard/VeenhuisMachines) m.b.t. kort geding; HR 7 april 1995, NJ 1997, 21, r.o. 3.3(N/Mobius) m.b.t. faillissement; HR 16 oktober 1998, NJ 1999, 7, r.o. 3.5(Finkenburgh/VanMansum) m.b.t. bewijswaardering; HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, r.o. 3.3(A/B alimentatie).
Het bewijsrecht biedt geen eenduidig criterium om om te gaan met de mogelijkheid dat bewijslevering door - bijvoorbeeld - de exhibitieplicht (te) ver strekt: bij het verzoeken van een voorlopig getuigenverhoor is immers het uitgangspunt dat dit wordt toegestaan, terwijl bij bewijslevering voor de bodemrechter het uitgangspunt is, dat de rechter meer vrijheid heeft om van toelating tot bewijslevering af te zien.
Bij de voorlopige bewijsverrichtingen zegt de wetgever weliswaar, dat de rechter deze verzoeken "kan" toestaan, maar heeft de Hoge Raad dat aldus ingevuld, dat een ter zake dienend en voldoende concreet verzoek dat feiten betreft die met getuigenbewijs of deskundigenbericht bewezen kunnen worden in beginsel moet worden toegewezen. Dat is slechts anders indien de rechter op grond van in zijn beslissing te vermelden feiten en omstandigheden van oordeel is dat het verzoek in strijd is met een goede procesorde, dat van de bevoegdheid toepassing van dit middel te verlangen, misbruik wordt gemaakt - bijvoorbeeld omdat verzoeker wegens onevenredigheid van de over en weer betrokken belangen in redelijkheid niet tot het uitoefenen van die bevoegdheid kan worden toegelaten - of dat het verzoek moet afstuiten op een ander door de rechter zwaarwichtig geoordeeld bezwaar.1
Bij de bodemrechter daarentegen is het uitgangspunt, dat het aan de vrijheid van de rechter is overgelaten of een partij tot bewijslevering wordt toegelaten. Bewijslevering door middel van gerechtelijke plaatsopneming,2 deskundigenbericht3 of het in het geding brengen van bescheiden4 mag hij immers in beginsel zonder meer weigeren. Slechts een relevant en gespecificeerd aanbod tot leveren van getuigenbewijs moet gehonoreerd worden.5
Bij de fundamentele herbezinning is geen voorstel gedaan om voor beide situaties - voorlopige bewijsverrichtingen én bewijslevering tijdens een procedure -dezelfde maatstaf te gaan hanteren. Wel is bepleit om de vrijheid van de rechter in de procedure te vergroten en wel doordat de rechter niet meer verplicht zou zijn partijen tot levering van getuigenbewijs toe te laten, waartegenover de rechter bij weigering van bewijslevering steeds een motiveringplicht zou hebben, derhalve ook bij deskundigenbericht.6 Met betrekking tot getuigenbewijs komt dit in het eindrapport terug met de volgende aanbeveling:
"Een verzoek getuigen te horen dient te worden gemotiveerd en gepaard te gaan met overlegging van schriftelijke getuigenverklaringen of een samenvatting van wat de getuigen kunnen verklaren. De rechter dient steeds aan de hand van die verklaringen gemotiveerd te beslissen of het horen van de getuigen, van wie reeds schriftelijke verklaringen zijn overgelegd, nog noodzakelijk is zonder gebonden te zijn aan een prognoseverbod en zonder dat hij behoeft uit te gaan van een in-principe-verplichting tot honorering van het verzoek. De imperatief van art. 166 lid 1 Rv dient dan ook te vervallen."7
Het voorstel uit de fundamentele herbezinning verdient wat mij betreft geen aanbeveling. Ik vind dat op een zo essentieel deel van het procesrecht als de toelating tot bewijslevering niet volstaan kan worden met slechts de motiveringsplicht voor de rechter, die - ook indien daar in de aanbeveling niet naar zou worden verwezen - hoe dan ook al van toepassing zou zijn.8 Belangrijker dan de motiveringsplicht vind ik de aan de motivering voorafgaande vraag op welke wijze de rechter moet en mag afwegen. Ik meen dat op een zo essentieel punt als toelating tot bewijslevering niet volstaan mag worden met slechts voldoening aan de ondergrens van een deugdelijke motivering, maar verlangd moet worden, dat ook helderheid bestaat over de criteria aan de hand waarvan beoordeeld moet worden, of toelating tot bewijslevering plaatsvindt.