Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/1.II.B.1.g
g. Kavel
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS477348:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Stb. 2009, 397, p. 3. Daarmee is ook de laatste van de twee begrippen die samen het woord ‘kavelruil’ vormen niet voorzien van een nadere toelichting. Dit staat in schril contrast tot bijv. de diverse bijzondere overeenkomsten uit boek 7 BW, waar de diverse onderscheiden overeenkomsten voorzien zijn van een definitie, welke in de wettekst is opgenomen en waarbij de verschillende begrippen duidelijk zijn toegelicht. Vgl. art 7:201 (het begrip ‘huur’ i.h.k.v. de huurovereenkomst) en 7:311 (het begrip ‘pacht’ i.h.k.v. de pachtovereenkomst).
Zie nader onderdeel C.4.e hierna. Zie tevens HR 28 juni 1963, NJ 1963, 507.
Stb. 2009, 397, p. 4. Zie tevens onderdeel E.l.c van dit hoofdstuk. Inbreng van een gedeeltelijk kadastraal perceel, na uitmeting gevolgd door toedeling, is een in kavelruil-land regelmatig voorkomend verschijnsel.
Hof Den Bosch 22 oktober 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:B06870, Notamail 2010/87 en NTFR 2011/24.
Kamerstukken II 2005/2006, 30509, nr. 6, p. 90-91. Zie in dit kader tevens B.F. Preller, ‘Commentaar op het wetsvoorstel Wet inrichting landelijk gebied (Wilg) met betrekking tot kavelruil’, p. 502.
Zoals in nt. 312 vermeld heeft A-G Wattel dit feit (m.i. ten onrechte) aangegrepen om te betogen dat het kavelruilregime onder de WILG wel degelijk afwijkt van het regime onder de Liw. Zie voor kritiek op dit standpunt J.W.A. Rheinfeld, ‘Vrijstelling kavelruil terecht geweigerd’.
Het begrip ‘kavel’, toch een essentieel onderdeel van de term ‘kavelruil’, is noch in de Memorie van Toelichting, noch tijdens de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer, noch in de brief van 8 september 2006 nader gedefinieerd, zo is in de Nota van Toelichting bij het besluit herverkaveling ook door de wetgever geconstateerd.1
Dit impliceert volgens de minister dat voor de uitleg van dit begrip aansluiting zal moeten worden gezocht bij ‘het normale taalgebruik’. Wanneer de ‘Dikke Van Dale’ erop wordt nageslagen, kan het begrip ‘kavel’ als volgt worden gedefinieerd:
perceel grond of land;
elk van de gedeelten van een te verkopen massa.
Vooral de tweede betekenis doet het hart van de civielrechtelijke reiziger sneller kloppen: wie herinnert zich niet de ‘kavels’ bij een veiling of de ‘kavelingen’ bij de scheiding en deling onder het oud BW?2 Ligt de brug tussen het ‘agrarische’ en het ‘normale leven’ wellicht besloten in het begrip ‘kavel’ dat, nader beschouwd, minder agrarisch getint is dan het lijkt? Deze reiziger zal nog even geduld moeten hebben: onderdeel C.4 gloort reeds aan de horizon.
Een kavel kan in dat verband zowel een geografisch afgebakend perceel zijn als een gedeelte daarvan.3 Tevens kan een kavel zowel ‘kale grond’ als met opstallen bebouwde grond betreffen. Zie in dit kader tevens de uitspraak van Hof Den Bosch van 22 oktober 2010, waar in rechtsoverweging 4.10 de volgende woorden gesproken zijn:
Voorts wijst het Hofer op, dat indien de wetgever met de term “kavels” in artikel 121 UW slechts de grond zonder daarmee duurzaam verenigde gebouwen zou hebben bedoeld, hij dit met zoveel woorden in de wettekst had opgenomen.”4
Zowel grond zonder als met gebouwen vallen derhalve onder het begrip ‘kavel’ van artikel 121 Liw. Dit geldt uiteraard op gelijke wijze voor de hedendaagse equivalent van artikel 121 Liw, artikel 85 WILG.
Tot slot blijkt, zoals hiervoor in onderdeel A.4.C reeds geconcludeerd, uit de definitie als zodanig niet dat kavelruil een ‘vorm van landinrichting’ is. Deze in artikel 17 Landinrichtingswet voorkomende kwalificatie is, zoals gezegd onder het WILG-regime overgebracht naar de Memorie van Toelichting.5 Ondanks deze onlogische handelwijze, waar mijns inziens geen goede verklaring voor te geven is, zal niemand kunnen betogen dat de kavelruil onder WILG niet langer een vorm van landinrichting zou zijn.6