Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/10.3.7.3
10.3.7.3 NAPUK
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197335:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
Westcott (HM Inspector of Taxes) v. Woolcombers Ltd.([1986] STC 182).
Zie over het wijzigen van rechterlijke interpretaties in de tijd par. 5.3.
Iets vergelijkbaars als in NAPUK deed zich voor in het arrest van de Hoge Raad over de verlaging van het tarief van de overdrachtsbelasting op woningen van 6% naar 2% (Hoge Raad 14 juni 2013, nr. 12/03630, BNB 2013/216 m.nt. Van Amersfoort). In deze zaak meenden belastingplichtigen dat hun grondrechten waren geschonden (zij beriepen zich op het discriminatieverbod in samenhang met het eigendomsgrondrecht), omdat de belastingverlaging niet verder terugwerkte dan tot 15 juni 2011. Anders dan in NAPUK werkte de wet dus wel terug, maar volgens de belastingplichtigen niet ver genoeg. Deze klachten werden door de Hoge Raad verworpen, omdat de wetgever binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid was gebleven en het discriminatieverbod niet zover gaat dat verdere terugwerkende kracht aan de wet moest worden verleend. Ook dit arrest illustreert dat het de wetgever in beginsel vrijstaat om al dan niet terugwerkende kracht te verlenen aan voor belastingplichtigen gunstige wetgeving.
NAPUK had aandelen in een dochtermaatschappij verkocht aan een derde. Er ontstond een geschil met HMRC over de winst die daarbij in aanmerking moest worden genomen. NAPUK meende dat de winst moest worden bepaald op het verschil tussen de verkoopprijs en de werkelijke waarde van de aandelen op het moment waarop NAPUK deze had verkregen van een concernvennootschap. Dit standpunt leidde tot een in aanmerking te nemen winst van GBP 31 miljoen. HMRC meende daarentegen dat moest worden uitgegaan van de prijs waarvoor het concern waartoe NAPUK behoorde de aandelen van derden had verworven. Volgens deze opvatting bedroeg de winst GBP 423,5 miljoen, waarover GBP 230 miljoen aan belasting was verschuldigd. Het standpunt van NAPUK was in overeenstemming met de heersende leer ten tijde van de transacties. HMRC beriep zich op een uitspraak van de Court of Appeal in de Woolcombers-zaak van enkele jaren later.1 Hierin oordeelde de Court of Appeal dat de winst in een geval als dat van NAPUK moest worden bepaald op basis van het bedrag waarvoor het concern de aandelen van derden heeft verworven. Het standpunt van HMRC bleek dus juist te zijn. Het parlement kon zich kennelijk niet vinden in de uitkomst in de Woolcombers-zaak, want twee jaar later wordt het effect van die uitspraak door een wetswijziging teniet gedaan. NAPUK schoot hier echter niets mee op, aangezien de wet niet terugwerkte in de tijd en de Woolcombers-zaak voor haar geval dus het geldende recht bleef. Aan haar werd dan ook een aanslag opgelegd ad GBP 230 miljoen. Voor de ECRM stelde NAPUK dat artikel 1 Eerste Protocol en artikel 14 EVRM waren geschonden, onder meer doordat de wetswijziging van 15 maart 1988 geen terugwerkende kracht kende. De ECRM overwoog over de terugwerkende kracht:
“The remainder of NAPUK’s claim under Article 1 of Protocol No. 1 (P1-1) and Article 14 (Art. 14) of the Convention is, in substance, that the amendment to Section 273 of the Taxes Act 1970 which was brought about by the Finance Act 1988 should have had retroactive effect, so that NAPUK, too, could have benefitted from it. In this connection the Commission again recalls that the legislature’s assessment in tax matters will be respected unless it is devoid of reasonable foundation.
In reply to NAPUK’s accountant’s letter, the Financial Secretary to the Treasury – a parliamentary assistant to the Chancellor of the Exchequer – gave reasons for the decision not to give retroactive effect to the amending legislation. Those reasons were, in summary, that it would not be fair to individuals who had arranged their affairs subsequent to the Woolcombers decision if the effects of that decision were nullified retroactively. The Commission can see some force in this argument, which cannot be considered to be “devoid of reasonable foundation”. The Commission can also accept that it would be difficult to set up a system of retroactivity which depended on the will of the taxpayer.
Finally, the Commission notes although the charge to tax which eventually arose was not expressly foreseen by NAPUK or its advisers (or probably by the Revenue), the possibility of the unexpected happening cannot have been completely excluded: the clearance letter to NAPUK’s accountants confirmed that the transaction was a bona fide commercial transaction, but did not state that the transaction would have the desired effect for the purposes of corporation tax on chargeable gains.”
Deze overwegingen van de ECRM zijn niet opzienbarend te noemen. Een burger moet er nu eenmaal rekening mee houden dat een wettelijke bepaling of rechterlijke interpretatie in de toekomst kan veranderen. Zolang er maar een voldoende duidelijke wettelijke grondslag bestaat voor die verandering, is er vanuit het oogpunt van artikel 1 Eerste Protocol niet veel aan de hand.2 Anders dan bij wetgeving die wordt ingevoerd met terugwerkende kracht het geval kan zijn, is van een aantasting van door artikel 1 Eerste Protocol beschermde gerechtvaardigde verwachtingen geen sprake. Dat zou anders kunnen liggen als door het ingrijpen van de wetgever legitimate expectations over de fiscale effecten van duurcontracten worden geschonden, maar daarvan was in het geval van NAPUK geen sprake. Als de wetgever bij de introductie van nieuwe of wijziging van bestaande wetgeving ervoor kiest om niet in te grijpen in bestaande rechtsverhoudingen, dan is dat volstrekt normaal en zeker niet “devoid of reasonable foundation”.3