Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/2.3.0
2.3.0 Inleiding
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS446016:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie uitgebreider: Stokman-Prins, 1990, p. 645-654.
Bijlagen Handelingen II 1915/16, 198, nr. 3, p. 4 lk.
“Wet van 12 Julij 1821, houdende grondslagen van het stelsel van ’s Rijksbelastingen”, Stb. 9.
Het stelsel bestond uit de volgende belastingen (waarbij ik de nummering heb aangehouden zoals die destijds werd gehanteerd): I. Directe belastingen (1. Grondbelasting, 2. personele belasting, 3. Patentrecht), II. Indirecte belastingen (1. zegel- registratie- griffie- en hypotheekrechten, 2. Successierecht), III. Accijnzen, IV. Belasting op de goud- en zilverwerk en V. In- en uitgaande rechten.
Wijtvliet, 2018, p. 143.
Wijtvliet, 2018, p. 151.
Adriani & Van Hoorn, 1954, p. 144.
Zie voor min of meer vergelijkbare definities: Smeets, 1951, p. 41; Scheltens, AWR, p. 258-264; Van Soest, 1988, p. 20 en Sinninghe Damsté, 1940, p. 39-42.
Bijlagen Handelingen II 1915/16, 198, nr. 3, p. 8.
Smeets, 1951, p. 39.
Het stelsel van Gogel was van kracht tot 1 januari 1812. Door de inlijving van het Koninkrijk Holland bij Frankrijk werden vanaf dat moment Franse belastingen ingevoerd en de bestaande (Bataafse) belastingen afgeschaft. Na de bevrijding van de Fransen in 1813 werd als een soort tijdelijke maatregel voor het jaar 1814 een regeling afgekondigd waarbij voor de meeste belastingen werd teruggekeerd naar het stelsel van Gogel. Als gevolg van de vereniging van de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden in 1815 (als Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, 1815-1830) werden in 1816 een algemeen stelsel van (alleen) indirecte belastingen en een wet voor in- en uitvoerrechten ingevoerd.1 De opbrengsten van de belastingen vielen tegen. Daarom ontwierp Appelius, Staatsraad en Directeur-Generaal der Indirecte Belastingen, een nieuw belastingstelsel dat als belangrijkste doel had een einde te maken aan het verschil in belastingheffing in Noord- en Zuid-Nederland.2 Deze Stelselwet 1821 en de daaraan gekoppelde heffingswetten traden op 1 januari 1823 in werking.3Hoewel nieuw en op bepaalde punten gebruikmakend van andere termen, werd dit stelsel nog sterk beïnvloed door het eerdere belastingstelsel van Gogel. De Stelselwet 1821 kende vijf onderdelen waarin alleen nog de termen ‘directe’ en ‘indirecte’ belastingen voorkwamen.4 Het onderscheid tussen beschreven en onbeschreven middelen was daarmee definitief verleden tijd. Appelius heeft evenals Gogel niet toegelicht waarom er behoefte bestond aan verschillende heffingstechnieken en in welke gevallen voor de ene dan wel voor de andere techniek moest worden gekozen. Ook in de literatuur is hier naderhand geen aandacht aan besteed. De reden voor het aanbrengen van het onderscheid zal naar mijn mening moeten worden gezocht in feit dat een bepaalde techniek aansloot bij de op een zeker moment bestaande werkwijze rondom de heffing en inning van bepaalde belastingen. Het onderscheid tussen direct of indirect kan namelijk zowel in economische als (formele) juridisch-administratieve zin worden opgevat.5 In de economische interpretatie zijn belastingen direct als zij worden geheven van de persoon die deze belasting ook daadwerkelijk draagt. Indirect zijn die belastingen die door een ander dan de belastingplichtige worden gedragen.6 Het onderscheid zoals dat is aangebracht in de Stelselwet (en overigens eerder ook in het stelsel van Gogel) betreft een juridische-administratieve aanduiding, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de wijze waarop de belastingheffing plaatsvindt. Onder anderen Adriani en Van Hoorn, Scheltens, Sinninghe Damsté en Smeets stellen in dat verband dat een directe belasting een belasting is waarbij “voor elk belastingjaar (…) aanslagen [worden] vastgesteld welke uit kracht van een kohier worden ingevorderd.”).7, 8 Een indirecte belasting is vrijwel het tegenovergestelde daarvan: heffen zodra of kort na het moment dat het belastbaar feit zich voordoet.
Er was overigens geen sprake van een heel dwingend en zuiver onderscheid. Ik verwijs daarvoor naar Treub die over dit onderscheid bij het door hem ingediende wetsontwerp “Grondslagen voor het stelsel van ’s Rijksbelastingen” het volgende schreef:
“De hoofdverdeeling der belastingen, welke in de wetenschap der financiën en in het spraakgebruik gangbaar is, werd in het ontwerp niet opgenomen. Zij is niet alleen niet consequent door te voeren, maar kan er licht toe leiden, omtrent het karakter van bepaalde belastingen op een dwaalspoor te brengen. Vroeger, toen men zich in de economische werking der belastingen minder sterk verdiepte dan tegenwoordig, legde men bij de hoofdverdeeling der belastingen een maatstaf aan, welke althans het voordeel had, tastbaar te zijn. Al naar gelang de heffing plaats had naar een kohier of niet, hoorde de belasting thuis onder de beschreven of directe dan wel onder de onbeschreven of indirecte middelen. Ook in Gogels stelsel van 1805 wordt deze indeeling gevolgd. Zulk een zuiver formeele indeeling, waarbij de vorm het wezen beheerscht, kan thans niet meer bevredigen. Men vraagt thans meer naar de werking der belastingen, dan naar de wijze waarop zij worden geheven. Het spraakgebruik heeft de beschreven en de onbeschreven middelen dan ook reeds lang vergeten.”9
Zie in dat verband ook Smeets over het gemaakte (niet-economische) onderscheid tussen directe en indirecte belastingen:
“Een belasting is fiscaalrechtelijk indirect, indien zij in de desbetreffende belastingwet niet als “direct” is aangewezen. Voorbeelden: omzetbelasting, loonbelasting, dividendbelasting, successierecht, accijnzen, enz.”10
Uit het bovenstaande komt naar voren dat niet duidelijk is gemaakt waarom de wetgever belang hecht aan het administratief-juridische onderscheid tussen directe en indirecte belastingen. Hoe hij daartussen vervolgens een keuze maakt, is evenmin duidelijk. Ten slotte blijkt dat het onderscheid ook niet altijd even zuiver werd toegepast.