Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.5.3:2.5.3 Gelijke toegang en differentiatie
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.5.3
2.5.3 Gelijke toegang en differentiatie
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288478:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Knegt 2008.
Weber 1976, p. 439: contractsvrijheid op de markt werkt primair zo uit dat het sommigen de kans biedt met behulp van bezit macht te verwerven over anderen.
Boltanski & Thévenot 2006; zie paragraaf 2.2 hierboven.
H. Merkelbach, ‘Verloot de onderzoekssubsidies’, NRC 4 januari 2020, p. W2.
Van Doorn & Chen 2020.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de relatief besloten ruimte van de stedelijke economie werd de commerciële dienstverlening dus zo geregeld dat de burgers die door de stad toegelaten waren tot de uitoefening van het beroep, in beginsel gelijke kansen hadden op werk. Daartoe werden technieken ingezet die het verdelingsproces formaliseerden, hetzij op basis van toeval, hetzij op basis van volgorde en toerbeurt. Het kan geen kwaad er even op te wijzen dat de daarmee tot stand gebrachte formele gelijkheid (bijvoorbeeld de toerbeurt van het ‘pennetje’) weliswaar tegenstellingen kan overbruggen (op basis van een overstijgend principe in de zin van Boltanski & Thévenot), maar niet zonder meer garant staat voor gelijkheid van de distributieve uitkomsten. Zo kan bijvoorbeeld een drager aan de beurt zijn die ziek is, terwijl een andere drager de verdiensten van de klus hard nodig heeft – maar dat soort overwegingen worden buitengesloten, irrelevant gemaakt door het formele karakter van het mechanisme.1 Het overstijgende principe krijgt vorm in deze formele selectiviteit, maar de selectie van wat al dan niet relevant is, is zelf niet neutraal en heeft consequenties voor de daadwerkelijke verdeling van levenskansen. Zo heeft de markt formele gelijkheid hoog in het vaandel, maar levert hij feitelijk voor een bevoorrecht deel van de participanten de mechanismen waarmee ze hun ongelijke aandeel in de voorziening in levenskansen kunnen uitbreiden.2
En die ongelijkheid had uiteindelijk ook consequenties voor de verdelingssystematiek zelf. Hoewel dragers en stadsbestuur het op normatief niveau eens waren over de noodzaak van wat we tegenwoordig een level playing field zouden noemen, had men op praktisch niveau ook te maken met een sterk fluctuerende vraag naar diensten en het verschillende ‘gewicht’ van opdrachtgevers. Er ontwikkelde zich een – uiteindelijk ook juridisch erkend – meer gedifferentieerd stelsel waarin sommige gildebroeders een speciale relatie hadden met opdrachtgevers en zich daarmee aan het verdelingsmechanisme wisten te onttrekken, terwijl onderaan werkers met een soort tweederangs status tot werk werden toegelaten (de ‘noodhulpen’), en daar mochten afwachten tot er een plek openviel binnen het besloten aantal van gildeposities. De ‘noodhulpen’ droegen meer dan gemiddeld bij aan het welzijn van de sector, onder meer doordat zij werden ingezet voor de financiële compensatie van arbeidsongeschikt geworden gildebroeders.
In termen van Boltanski & Thévenot3 komt hier een compromis tot stand tussen ‘burgerschap’ (orde b: gelijke toegang tot werk en verdienkansen, collectieve zeggenschap over condities van de arbeid, solidariteit) en ‘nijverheid’ (orde e: efficiëntie, aansluiten op wisselende vraag naar diensten en op de bedrijfsvoering van de kooplieden). Het compromis bracht mee dat de verdeling van deze voor de stad zo belangrijke taken een publiek karakter had en dat voor marktwerking (orde d) geen rol van betekenis was weggelegd. Het verschil met de huidige platforms, in de sfeer van de private commercie, springt in het oog: werkers hebben geen zeggenschap over de condities van hun werk, ‘burgerschap’ is grotendeels opgeofferd aan ‘markt’ en ‘nijverheid’.
Twee kanttekeningen nog in verband met de vergelijking van vroeger en nu. Ten eerste is toeval als verdelingsmechanisme niet ‘ouderwets’: het kan ook tegenwoordig nog een rol spelen, bijvoorbeeld in het aanbestedingsrecht. Primair draait een aanbesteding om concurrentie, en wordt de opdracht gegund aan de economisch meest voordelige inschrijver. Maar als meerdere inschrijvingen op de criteria met een gelijke score worden beoordeeld, en de mogelijkheden om de selectie op basis van prijs of kwaliteit te maken dus zijn uitgeput, is loting een legitieme optie. En recentelijk wordt selectie op basis van toeval (loting) bepleit voor de verdeling van onderzoekssubsidies.4
Ten tweede wordt, waar vroeger werd gedobbeld, ook tegenwoordig een spelelement ingevoerd bij de verdeling van werk via platforms (gamification). Men gebruikt dan psychologische kennis om algoritmes zo vorm te geven dat ze de werker de indruk geven van een spelomgeving waarin hij strategisch winst kan behalen. Nieuwe werkers zijn veelal gevoelig voor de suggestie van vrijheid die dit biedt, ervaren werkers blijken zich bewust van het manipulatieve karakter van de werkwijze van platforms die deze psychologische technieken toepassen.5