Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/14.3
14.3 Het valt met de mate van verbrokkeling van het Nederlandse verjaringsrecht misschien toch mee
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS370146:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Part Gesch. Inv., p. 1409.
Net zo min overigens als het toeval lijkt dat in beide feitelijke instanties beide verjaringsartikelen tot dezelfde uitkomst leidden. Zie ook Schelhaas, NTBR 2005, p. 525: 'Ook de onderhavige uitspraak toont dat het aanvangsmoment van de verjaringstermijn bij een schadevergoedingsvordering en een actie uit onrechtmatige daad, niet veel verschilt'.
Dat de Hoge Raad de woorden 'daadwerkelijk in staat' ten aanzien van art. 3:310 niet gebruikt noemt Du Perron in zijn noot opmerkelijk, gegeven immers zijn eerdere standaardarrest waarin die frase wel staat (HR 31 oktober 2003, NJ2006, 112). Hij meent evenwel dat daaruit geen koerswijziging moet worden afgeleid. Ik ben het op beide punten met hem eens.
Daaronder niet begrepen de processuele termijnen; over de Verjährungs- oder Ausschluβfristen wordt opgemerkt: 'Es stellt sogar die Versäumung von prozessualen Fristen in den Schatten'.
Karlsruher Forum 1991, p. 16.
Het voorgaande staat bloot aan de methodologische kritiek dat aan mijn conclusie geen empirisch onderzoek ten grondslag ligt, zodat ik, het juridische betoog ten spijt, helemaal niet kan weten of in de rechtspraktijk kwalificatieproblemen wel binnen de perken blijven. Ik kan tegen die kritiek uitsluitend het klassieke argument inbrengen dat de niet-empirisch onderzoekende rechtswetenschapper de praktijk tot op zekere hoogte toch wel gewaar wordt, doordat de praktijk zich weerspiegelt in de rechtspraak en (door praktijkjuristen geschreven) literatuur. Uit die bronnen volgt de falsificatie van mijn conclusie niet: er is weinig `samenlooprechtspraak' en in de doctrine loopt men niet te hoop tegen het overvloedige aantal termijnen. Van der Wiel (advocaat), wijdt een publicatie aan de samenloop van termijnen, maar nergens wordt in die publicatie gesuggereerd dat het probleem zich in overvloedige mate voordoet (BWKJ 2004); Van Dijk (advocaat) ageert wel tegen bepaalde aspecten van het nieuwe verjaringsrecht, maar niet tegen het probleem van kwalificatie als zodanig (Van Dijk, NJB 2007); Andriessen (advocaat) besluit zijn artikel over termijnen in het arbeidsrecht niet met de stelling dat de arbeidsrechtadvocaat door de bomen het bos niet meer ziet (Andriessen, Arbeidsrecht 2005). Maar inderdaad, écht bewezen is de voldoende uniformiteit en coherentie van het Nederlandse verjaringsrecht met het bovenstaande niet. Mijn conclusie mag daarom ook wel begrepen worden als uitnodiging aan de praktijk om, zo daartoe grond bestaat, een tegengeluid te laten horen.
Onverklaarbaar is bijvoorbeeld ook waarom voor 'bekendheid' in het kader van de art. 3:309 — 3:311 BW subjectief wordt opgevat, terwijl dat begrip in het kader van art. 7:23 BW objectief is gedefinieerd.
Wat valt uit de ontwikkelingen in de landen om ons heen te leren? Iets wat na enig nadenken eigenlijk niet verrast: enerzijds kan verjaringsrecht in de loop der tijd in onaanvaardbare mate inconsistent, onsamenhangend en nodeloos complex raken, anderzijds schijnt haar totale vereenvoudiging een idee-fixe. Het lijkt bij de beoordeling van een verjaringsregime dus een kwestie van gradaties te zijn: een verjaringsregime is niet óf wel óf niet verbrokkeld, maar is in meer of mindere mate verbrokkeld. Helemaal uniform is het nooit, en als het een bepaalde `verbrokkelingsgraad' overstijgt, moet het worden herzien. Waarschijnlijk geldt deze observatie niet alleen voor de verjaring, maar dat hier terzijde.
De vraag is dus niet óf het Nederlandse verjaringsrecht verbrokkeld is — dat is het — maar of een kritische grens is overschreden. Wat ik hieronder ga opmerken is in zekere zin te beschouwen als pendant van de inleiding: daar werd het probleem stevig op de kaart gezet, hierna volgt, mede ontleend aan buitenlandse ontwikkelingen, een aantal relativerende opmerkingen.
Ik besprak in de inleiding twee aspecten van verbrokkeling. Ten eerste beschreef ik twee categorieën bijzondere verjaringsregels: die van titel 3:11 en die daarbuiten gelegen. Ten aanzien van beide stelde ik het kwalificatieprobleem aan de orde: (i) onduidelijk kan zijn welk van de art. 3:307 — 3:311 BW van toepassing is en (ii) onduidelijk kan zijn of een van de art. 3:307 — 3:311 BW van toepassing is of een andere bijzondere bepaling. Ten tweede benoemde ik de dreigende inconsistentie van het verjaringsrecht.
Wat het eerste punt, sub (i) betreft: In de parlementaire geschiedenis staat: "Doordat volgens de artikelen 3.11.11-13aa [huidige art. 3:307 — 3:311; JLS] één zelfde termijn geldt, worden in deze gevallen die in het grensgebied van die artikelen liggen, afgrenzingsmoeilijkheden vermeden."1 Wat minder benadrukt in de parlementaire geschiedenis, maar net zo belangrijk, is dat ook aan het aanvangsmoment van de verschillende vijfjaarstermijnen dezelfde gedachte ten grondslag ligt: de termijn begint te lopen zodra de crediteur in staat is actie te nemen. Die gelijkenis doet af aan het belang van de kwalificatievraag en maakt het risico op inconsistente resultaten klein.
Dit laat zich bijvoorbeeld illustreren aan de hand van HR 10 december 2004.2 In die zaak spreekt een vrouw haar broer aan op grond van onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad wegens het ten onrechte overboeken van een bedrag van haar rekening. De vordering op grond van onverschuldigde betaling wordt verjaringsrechtelijk beheerst door art. 3:309 BW, de vordering uit onrechtmatige daad door art. 3:310 BW. Rechtbank en hof achten op grond van beide artikelen de vordering verjaard, de Hoge Raad oordeelt daarentegen dat de vordering op grond van geen van de twee artikelen verjaard is. Die gelijkluidende verjaringsbeoordeling van de vordering onder 3:309 en 3:310 lijkt geen toeval.3 Het staat er niet met zoveel woorden, maar de motivering van de Hoge Raad ten aanzien van beide artikelen komt erop neer dat de vijfjaarstermijn pas aanvangt op het moment dat de vrouw in staat was te vorderen. 4
Dan over het eerste punt, sub (ii), betreffende de mogelijke verwarring over toepassing van bepalingen binnen of buiten afdeling 3:11. Wellicht lijkt het ook hier erger dan het is. In de eerste plaats schijnt het aantal bepalingen aanzienlijk, maar zo erg als het bijvoorbeeld bij onze oosterburen was, is het nog lang niet. In het kader van de herziening van het Duitse recht werd namens een verzekeraar opgemerkt dat een kwart van de aanspraken onder de beroepsaansprakelijkheidsverzekering betrekking had op het laten verstrijken van verjarings- en vervaltermijnen.5 Vervolgens:
"Ich habe einmal in unserer Schadenkartei danach gesucht, was für Verjährungs- oder Ausschlußfristen eigentlich zu Schäden geführt haben, und ich bin insgesamt auf rund 200 verschiedene Regelungen gekommen, die bei uns schon schadenträchtig geworden sind."6
Aannemende dat deze verzekeraar een redelijk adequate telling heeft verricht, ligt ons aantal termijnen toch in een heel andere orde van grootte. In de tweede plaats, nog steeds over de kwalificatiekwestie door 'de vele' verjaringsbepalingen buiten 3:11: de Duitse wetgever schreef dat een groot aantal verjaringstermijnen op zichzelf niet problematisch hoeft te zijn, zolang de toepassingsgebieden van die termijnen duidelijk van elkaar zijn afgegrensd. Ten aanzien van het Duitse recht luidde de conclusie ondubbelzinnig dat aan die voorwaarde niet was voldaan. Of die conclusie ook geldt voor het Nederlandse recht valt mijns inziens te betwijfelen. Non-existent is het probleem niet; ik noemde de zaak waarin toepasselijkheid van óf 3:310 lid 1 óf 7:23 lid 2 aan de orde was en een aantal andere voorbeelden. Maar het is voor zover mij bekend niet zo dat dergelijke problemen aan de orde van de dag zijn. Mijn indruk is dat vooralsnog niet genoeg aanwijzingen bestaan voor de stelling dat de onvoldoende afgrenzing van verjaringsregels het Nederlandse verjaringsrecht diskwalificeert.7
Dan het tweede aspect van verbrokkeling dat ik noemde, de dreigende inconsistentie van het verjaringsrecht. Opnieuw, denkend in termen van gradaties: zo zorgelijk als in bijvoorbeeld Engeland, lijkt het bij ons echt nog niet te zijn. Daar bestond zoals wij zagen (i) een willekeurige onderscheid tussen groepen vorderingen die wel en groepen vorderingen die niet door een subjectieve termijn worden beheerst, en (ii) een wirwar van naar willekeur aan verschillende vorderingen toegekende termijnen die het, zoals wij zagen, mogelijk maakte dat de vordering tegen de misbruikende oom al wel, maar tegen de stilzittende moeder nog niet verjaard was. Die twee aspecten lijken mij aanzienlijk ernstiger dan dat er, bijvoorbeeld, onverklaarbare verschillen zijn in stuitende werking van onderhandelingen binnen en buiten de WAM of in aanvangsmoment bij milieuschade en andersoortige schade — meer voorbeelden van Nederlandse inconsistenties zijn nog wel te verzinnen,8 maar naar ik meen niet van veel ernstiger aard.
Al met al lijkt dus de verbrokkeling van het Nederlandse verjaringsrecht nog geen kritische graad te hebben bereikt. Er zijn kwalificatieproblemen, er zijn inconsistenties, maar zij lijken voor het oordeel dat het Nederlandse verjaringsrecht niet meer voldoet, onvoldoende zwaarwegend. Ik teken bij die constatering aan, dat het hier niet een kwestie betreft die zich leent voor echte `bewijsvoering'; wat men van de verbrokkelingsgraad van ons verjaringsrecht vindt, is uiteindelijk een kwestie van waardering.
Hoe dan ook, de Duitse en de Engelse verjaringsgeschiedenissen maken ons duidelijk dat het verjaringsrecht onvoldoende uniform en coherent kán raken. Gegeven de onwaarschijnlijkheid dat het Nederlandse verjaringsrecht van vandaag op morgen fundamenteel wordt herzien, doet dat besef de vraag rijzen hoe wij in de toekomst verdere verbrokkeling zo veel mogelijk kunnen afwenden. Daarover gaat de volgende paragraaf.