Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/4.2.2
4.2.2 Corporatieve rechtspersonen en stichtingen
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS386125:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zoals in paragraaf 3.2.2 en 3.2.7 werd opgemerkt, was voor de kwalificatie “stichting” enige mate van zelfstandigheid van belang, waarbij relevant was dat behoorlijk werd voorzien in het beheer en bestuur van de stichting. De statuten (stichtingsbrief) diende bepalingen omtrent de organisatie van de stichting te bevatten. Zie onder meer HR 9 januari 1925, NJ 1925, 327 (Papefonds) en HR 11 december 1914, W. 1915 (Fonds Jan de Koning).
Zie onder meer Feenstra 1994, nr. 47, en Feenstra 1956, p. 381 e.v. De term rechtspersoon kwam in de eerste helft van de 19e eeuw op bij verschillende rechtswetenschappers, met name in Duitsland, die verschillende rechtspersoonlijkheidstheorieën ontwikkelden. Zie wat betreft rechtspersoonlijkheidstheorieën de beschouwingen van Scholten in Asser/ Scholten & Bregstein 1-II 1954, p. 92-97, Meijers 1948, p. 170 e.v., Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/5-30 en Van Solinge 2012, p. 1-6.
Zie ook Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/28 en Asser/Van der Grinten 2-II 1991/171 en 185.
Aldus onder meer Polak 1956, Polak 1960 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/28. Bijvoorbeeld de zogenoemde leer van de collectieve eigendom van Planiol en later Molengraaff en Star Busmann en de contractstheorie van Von Jehring, die uitgaat de rechtssubjectiviteit van de leden, zijn niet of moeilijk toepasbaar op de stichting. Zie Asser/ Van der Grinten 2-II 1991/24, Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/5-30 en Van Solinge 2012, p. 1-6.
De vennootschap werd aanvankelijk, voordat de institutionele opvatting van de vennootschap haar intrede deed, ook wel gezien als een contract. Zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIa 2013/2 en Asser/Maeijer & Kroeze 2-I* 2015/30.
Feenstra 1956, p. 443 en 444. Volgens Feenstra was Heise de eerste die dit onderscheid in categorieën rechtspersonen maakte.
Zie ook paragraaf 3.2.5 en de verwijzingen aldaar.
Wat betreft de universitas personarum blijkt uit de Digesten, dat deze zelf schuldeiser of schuldenaar kan zijn en haar de leden niet aansprakelijk zijn voor haar schulden. In Dig. 3, 4, 7 staat dat als iets aan een universitas [vertaling: corporatie] verschuldigd is, het niet aan de afzonderlijke leden verschuldigd is en evenmin zijn de afzonderlijke leden verschuldigd wat de universitas verschuldigd is. Middeleeuwse juristen vinden niet alleen aanknopingspunten in het Corpus Iuris Civilis maar ook in het canonieke recht. Feenstra 1994, nr. 47 en Schrage 1992, p. 103-107. In veel literatuur wordt voor wat betreft universitas rerum de tekst uit de Digesten aangehaald waarin staat dat niet alleen een gemeente, een stadsraad en een vennootschap [van belastingpachters] (societas), maar ook een nalatenschap “de rol van een persoon” kan vervullen (Dig. 46, 1, 22). De volledige vertaling van Dig. 46, 1, 22, luidt “Na de dood van een stipulatieschuldenaar kan ook voor de aanvaarding van diens nalatenschap een borg worden aangenomen, aangezien een nalatenschap de rol van een persoon vervult, evenals een gemeente, een stadsraad en een vennootschap [van belastingpachters].” Corpus Iuris Civilis, Digesten II. Aangezien een nalatenschap een universitas rerum is, wordt dit gebruikt als argument voor het aannemen van een zekere zelfstandige status voor universitas rerum. Een ander interessant aanknopingspunt dat een zekere zelfstandige status van universitas rerum veronderstelt is dat een gift aan een tempel gedaan kan worden; zie Dig. 33, 1, 20, 1 (“…, ceterum datum templo.”), Corpus Iuris Civilis Digesten I.
Scholten onderscheidde in zijn latere leer van de juridische realiteit eveneens corporaties en stichtingen, waarbij hij aanneemt dat beide categorieën voor het recht personen zijn. Zie Asser/Scholten & Bregstein 1-II 1954, p. 92-96. Zie ook Meijers 1948, p. 170 e.v.
Meijers 1948, p. 257 e.v.
Rechtspersoonlijkheidstheorieën
In het vorige hoofdstuk bleek dat al lang voordat het eerste stichtingenrecht in 1956 in werking trad de rechtsfiguur van de stichting veelvuldig voorkwam. Op een zeker moment werd daarbij aangenomen dat de stichting rechtspersoonlijkheid had, mits zij aan bepaalde voorwaarden voldeed.1 In verband met rechtspersoonlijkheidstheorieën dachten rechtswetenschappers in de negentiende en begin twintigste eeuw na over rechtspersoonlijkheid en kenmerken waarmee verschillende rechtspersonen zich van elkaar onderscheiden.2 Dergelijke rechtspersoonlijkheidstheorieën hebben tegenwoordig slechts beperkte praktische betekenis (uit Boek 2 BW volgt nu immers welke rechtspersonen worden onderscheiden), maar zij verschaffen niettemin enig inzicht in de ideeën over hoe een stichting getypeerd werd voor en ten tijde van het opstellen van de eerste wettelijke regeling, de WS 1956.
Veel rechtspersoonlijkheidstheorieën maakten een onderscheid tussen:
corporatieve rechtspersonen (met een samenwerkingskarakter); en
niet-corporatieve rechtspersonen of instellingen (met een instellingskarakter).3
Corporatieve rechtspersonen – kortweg: corporaties – hebben leden of aandeelhouders en in de literatuur is opgemerkt dat het “personensubstraat” een wezenlijk kenmerk van corporaties: er is sprake van een samenwerkingsverband oftewel een “vereniging van personen”. Over niet-corporatieve rechtspersonen wordt ook wel gezegd dat zij een “instellingskarakter” hebben.
In sommige rechtspersoonlijkheidstheorieën was de niet-corporatieve rechtspersoon aanvankelijk lastig in te passen.4 Bij corporatieve rechtspersonen is uiteindelijk altijd sprake van samenwerkende (natuurlijke) personen, terwijl instellingen of stichtingen conceptueel verder van natuurlijke personen af staan. Bij stichtingen is geen sprake is van een samenwerkingsvorm maar het doelgebonden vermogen staat centraal.5 Het toekennen van persoonlijkheid aan een stichting vond men om die reden meer gekunsteld.
Heise plaatste in zijn rechtspersoonlijkheidstheorie in 1816 stichtingen naast corporaties in een speciale categorie rechtspersonen. Hij beargumenteerde daarbij dat het “substraat van rechtsbetrekkingen” bij rechtspersonen kan bestaan uit personen of zaken.6 Dit doet denken aan het onderscheid dat in het Romeinse recht gemaakt werd tussen de algemeenheid van personen (universitas personarum) en de algemeenheid van goederen (universitas rerum).7 De klassieke doelvermogens met een eigen organisatie en de piae causae werden door sommigen gezien als een vorm van universitas rerum. Van zowel de universitas personarum als de universitas rerum werd al in de Romeinse tijd aangenomen dat zij een zekere zelfstandige status konden hebben en als “persoon” aan het rechtsverkeer konden deelnemen.8 Na de theorie van Heise onderscheidden ook latere theorieën een categorie corporaties en een categorie stichtingen, waaraan rechtspersoonlijkheid werd toebedacht.9 De stichting werd steeds gezien als de enige niet-corporatieve rechtspersoon.
Meijers
In zijn Algemene Rechtsleer in 1948 maakte Meijers een overzicht en classificatie van rechtspersonen waarbij hij eveneens corporatieve rechtspersonen (verenigingen en naamloze vennootschappen) enerzijds en stichtingen anderzijds onderscheidde. Hij maakte daarbij wel kanttekeningen en relativeerde het onderscheid: ook in stichtingen kan worden samengewerkt, terwijl anderzijds bij een vereniging de algemene vergadering het niet altijd feitelijk voor het zeggen heeft (niet altijd de hoogste macht in de organisatie is):10
“Volgens sommigen kenmerken zich de corporaties door leden, die als de gezamenlijke dragers van het vermogen en de belangen, die in de rechtspersoon belichaamd zijn, moeten beschouwd worden, terwijl de belangen en het vermogen van een stichting niet aan leden gebonden zijn, m.a.w. doel en vermogen van de stichting staan los van de organen der stichting. Wanneer men aldus onderscheidt, komen de verenigingen met altruïstisch doel – liefdadigheidsverenigingen, verenigingen in het belang van geloof, wetenschap of kunst, enz. – in het gedrang. De belangen, die de rechtspersoon behartigt, zijn hier niet nauwer aan de leden gebonden als bij een stichting aan bestuurders.” [**] “Zij, die bij subjektieve rechten meer de nadruk leggen op de macht dan op het beschermde belang, laten bij de vereniging als kenmerk, dat haar van de stichting onderscheidt, gelden, dat bij de vereniging de leden te zamen het orgaan vormen, waaraan de hoogste macht in de organisatie toekomt, terwijl dit bij de stichting het bestuur der stichting is. Men vergeet hierbij echter, dat enerzijds vele wetgevingen zich niet tegen een organisatie der vereniging verzetten, waarbij de hoogste macht toekomt aan het bestuur en niet aan een ledenvergadering toekomt, anderzijds dat ook bij stichtingen leden en ledenvergaderingen, die voor het bestuur bindende besluiten kunnen nemen, niet ondenkbaar zijn. Om de hiervoor geschetste reden wordt dan ook gewoonlijk een ander kriterium voor de onderscheiding aangeraden. Bij stichtingen zouden het doel en de organisatie der rechtspersoon vastgesteld worden door personen, die verder buiten de rechtspersoon staan – de stichters en somtijds de overheid –, terwijl bij verenigingen het de leden en het bestuur zijn, die doel en organisatie bepalen. [**] Ook dit verschil leidt niet tot een scherpe onderscheiding. Bij stichtingen wordt het meer en meer gebruikelijk in de statuten bepalingen op te nemen, waarbij de bestuurders de bevoegdheid krijgen de statuten zo nodig te wijzigen, terwijl de stichters zelf het eerste bestuur kunnen vormen; alsdan verdwijnt het ganse geschetste verschil, tenzij men een zodanige organisatie niet meer als een stichting zou willen beschouwen.”
Meijers meende dat, vanwege het feit dat het onderscheid tussen verschillende rechtspersonen niet altijd scherp is, voor stichtingen net als voor andere rechtspersonen slechts een “normaaltype” onderscheiden en geregeld kan worden.