Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/8.6.2
8.6.2 Verschillende soorten bewijsvermoedens
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652410:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Giesen 2001, p. 65.
Deze indeling volgt Snijders, Klaassen & Meijer 2017/214.
Giesen 2001, p. 65-67; Asser 2004/33, 37-38 en 40; Snijders, Klaassen & Meijer 2017/214.
De regel inhoudende dat indien door een als onrechtmatige daad of wanprestatie aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, daarmee het causaal verband tussen die gedraging en de aldus ontstane schade in beginsel is gegeven. Het is dan aan degene die op grond van die gedraging wordt aangesproken om te stellen en bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan. Zie o.m. HR 29 november 2002 (r.o. 3.6), NJ 2004/305, m.nt. W.D.H. Asser (Kastelijn/Achtkarspelen); HR 23 november 2012 (r.o. 3.7), NJ 2012/669 (Erven gynaecoloog/Ouders M).
Snijders, Klaassen & Meijer 2017/214. Zie ook Asser 2004/33.
In Skipper Club Charter bepleitte het cassatiemiddel overigens een uitleg van Laurus, bestaande in een omkering van de stelplicht en bewijslast. De Hoge Raad oordeelde daar niet over, anders dan Conclusie A-G Huydecoper (nr. 38) voor en Maeijer (onder 1) in zijn annotatie bij HR 4 april 2003, NJ 2003/538 (Skipper Club Charter). Zie verder Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 763-764; De Witt Wijnen 1997, p. 103.
In de literatuur worden verschillende soorten bewijsvermoedens onderscheiden. Bij het aannemen van een bewijsvermoeden gaat de rechter steeds voorlopig uit van de juistheid van de stelling van een van de partijen.1 Onderscheiden kunnen worden het onweerlegbare wettelijke vermoeden, het weerlegbare wettelijke vermoeden, het jurisprudentiële vermoeden, het processuele vermoeden en het (anderszins) feitelijk vermoeden.2
Het wettelijke vermoeden is in de wet vastgelegd, waarbij een onderscheid kan worden aangebracht tussen weerlegbare en onweerlegbare vermoedens. Onweerlegbare vermoedens zijn geen bewijslastregels, maar rechtsregels die bewijs overbodig maken. Hiertegen staat geen tegenbewijs open, zie bijvoorbeeld art. 3:118 lid 2 BW. Tegen weerlegbare vermoedens staat wel tegenbewijs open, zie bijvoorbeeld art. 2:138/248 lid 2 BW.3 Het jurisprudentiële vermoeden is een in de rechtspraktijk ontstane figuur ter zake van het bewijs van causaal verband, meer in het bijzonder het condicio sine qua non-verband. Deze figuur wordt ook wel aangeduid als de omkeringsregel.4 Het processuele vermoeden is het vermoeden waarbij de rechter op grond van een bepaald processueel feit (bijvoorbeeld niet-verschijning) een ander niet-vaststaand feit behoudens tegenbewijs aanneemt. Van een feitelijk vermoeden is sprake als de rechter in het kader van de bewijswaardering in een individuele beslissing op basis van in een procedure gestelde en gebleken feiten de aanwezigheid van een ander, voor toewijzing van het beoogde rechtsgevolg relevant feit aanneemt behoudens tegenbewijs.5
Het bewijsvermoeden uit de Laurus-beschikking van de Hoge Raad is een voorbeeld van dit laatste soort vermoeden, een feitelijk vermoeden.6 Dit betreft een vorm van bewijswaardering, nu voorlopig wordt uitgegaan van de juistheid van een stelling: de aangesproken persoon heeft tegenover de rechtspersoon zijn taak niet vervuld op de wijze waarop een redelijk bekwame en redelijk handelende functionaris die taak in de gegeven omstandigheden had behoren te vervullen.