Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/8.2.1
8.2.1 Inleiding
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655758:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie reeds § 3.4.3.3 en § 6.2.2.
Zie reeds § 3.5.5.1-§ 3.5.5.2 en § 6.2.3.
Zie onder meer Basic v. Levinson, 485 U.S. 224, 245-246 (1988); Erica P. John Fund, Inc. v. Halliburton Co., 563 U.S. 804, 810-811 (2011); Amgen Inc. et al. v. Connecticut Retirement Plans and Trust Funds, 568 U.S. 455, 461 (2013); Halliburton Co. v. Erica P. John Fund, Inc., 573 U.S. 258, 267 (2014). Zie hierover in de literatuur onder meer Fisch 2013, p. 902.
Zie in dit verband ook Blackie Barrack, 524 F.2d 891, 908-909 (9th Cir. 1975) en de dissenting opinion van Judge Reinhardt bij de uitspraak Binder v. Gillespie, 184 F.3d 1059, 1068-1069 (9th Cir.1999).
De vraag of sprake is van causaal verband tussen enerzijds de misleidende informatie en anderzijds de beleggingsbeslissing van de belegger (zou de belegger zonder de misleidende informatie hebben beslist het effect niet – of althans niet tegen de huidige prijs – te kopen?) wordt in het Amerikaanse recht gesteld in het kader van de reliance-eis. Of voor aansprakelijkheid op grond van het Amerikaanse federale effectenrecht aan reliance moet zijn voldaan, hangt af van de grondslag van aansprakelijkheid. Bij aansprakelijkheid op grond van de Securities Act 1933 (heel kort gezegd gaat het dan om prospectusaansprakelijkheid) is beginsel geen reliance vereist.1 Bij aansprakelijkheid op grond van SEC-regel 10b-5 (de aansprakelijkheid voor misleidende informatie in het algemeen) is daarentegen wel reliance vereist.2 De bewijslast dat aan de reliance-eis is voldaan, rust in beginsel op de eisende belegger. Algemeen wordt echter onderkend dat het hier om een nogal zware bewijslast gaat.3 Dit om twee redenen. In de eerste plaats zal de belegger vaak niet kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk op de misleidende informatie is afgegaan (of bij een omissie: op de misleidende informatie zou zijn afgegaan). Als de belegger dat wel kan aantonen, zal in de tweede plaats vaak niet meer te achterhalen zijn wat de belegger bij juiste en volledige informatie zou hebben beslist.4 Vanwege deze zware bewijslast wordt – volgens vaste rechtspraak – in een tweetal situaties ten gunste van de belegger een vermoeden aangenomen. Deze twee situaties en de bijbehorende vermoedens bespreek ik achtereenvolgens in § 8.2.2 en § 8.2.3.