Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/3.2.2
3.2.2 Toegenomen aandacht voor het slachtoffer
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS613036:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Buruma 2005, p. 25 en Corstens 2008a.
Zie hierover bijv. JV 2007.
Vgl. Boutellier 2002, p. 103.
Kaptein 2000, p. 42.
Boutellier 2002, p. 126, concludeert: ‘De strafrechter – en in zijn kielzog het strafrechtelijk beleid – kan zich niet onttrekken aan de gevoelens van het slachtoffer en het rechtsgevoel van het publiek. Hij bemiddelt – door middel van juridische objectivering en proceduralisering – tussen het verhaal van de dader, de schreeuw van het slachtoffer en de roep om gerechtigheid van het publiek.’
Hier werkt ook de door Garland 2001, p. 189, gesignaleerde opkomst van kosten-baten afwegingen door die in de rechtspraak van het Amerikaanse Hooggerechtshof over de toepassing van de bewijsuitsluitingsregel bij schending van het Vierde Amendement duidelijk te herkennen is. Zie Kuiper 2010, hoofdstuk 3 en par. 4.5.2.3 van dat boek.
Zie nader over deze zogenaamde positieve verplichtingen par. 8.2.4.1.
Het slachtoffer heeft zowel binnen1 als buiten het strafproces een prominenter positie gekregen.2 De sterk toegenomen aandacht voor het slachtoffer sluit aan bij de verschuiving van verbetering van de dader naar vergelding als strafdoel.3 Hierdoor wordt nog minder aanvaard dat als gevolg van een vormfout berechting achterwege blijft: zeker bij vormfouten die aan de waarheidsvinding geen schade hebben toegebracht. ‘Als het slachtoffer als derde partij ernstig moet worden genomen’, zo stelde Kaptein, ‘is het einde nabij van vrijwaring van straf als gevolg van onrechtmatig overheidshandelen’.4 Aan het recht van het slachtoffer op schadevergoeding binnen het strafproces noch aan vergelding – vaak geassocieerd met het belang van het slachtoffer – kan recht worden gedaan indien op formele gronden van (verdere) berechting van de verdachte wordt afgezien. In de belangenafweging die nodig is bij het bepalen van de reactie op een vormfout kan dit een rol spelen. Te verwachten valt dat mede onder invloed van voormelde ontwikkeling de afweging van het belang van de samenleving en het slachtoffer bij berechting enerzijds tegen de belangen van de verdachte anderzijds, eerder in het nadeel van de verdachte uitpakt.5 Daarbij speelt ook een rol dat het voordeel van het laten prevaleren van de belangen van de verdachte minder tastbaar is dan het daarvan steeds evidente nadeel.6 De in paragraaf 2.10.1 besproken benadering van Solove van privacybelangen kan hierbij nuttige aanknopingspunten bieden.
Bij feiten met slachtoffers – in het bijzonder slachtoffers van handelen dat een inbreuk oplevert op een EVRM-recht dat de overheid tot effectieve strafbaarstelling verplicht7 – passen reacties op vormfouten die deze effectiviteit frustreren niet goed. In de arresten van 19 februari 2013 over bewijsuitsluiting vestigt de Hoge Raad de aandacht op de betekenis van deze positieve verplichtingen voor de afweging al dan niet bewijsuitsluiting toe te passen. Bij feiten zonder een ‘direct’ slachtoffer, wordt de afweging hierdoor niet gecompliceerd. Bij het opmaken van de balans tussen verdachte en overheid wringt het dan – op het eerste gezicht – minder om het onrechtmatig handelen van de overheid in de afrekening te betrekken.