Einde inhoudsopgave
De geschillenregeling ten gronde (VDHI nr. 108) 2011/IV.6.2.b
IV.6.2.b Het tweetal in de uitstotingsprocedure
prof.mr. C.D.J. Bulten, datum 28-04-2011
- Datum
28-04-2011
- Auteur
prof.mr. C.D.J. Bulten
- JCDI
JCDI:ADS377332:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie hierover Westbroek (1985/2), p. 727, die aarzelde of het rechterlijk vonnis de statutaire doelstelling kan 'doorbreken', maar uiteindelijk tot de slotsom kwam dat het mogelijk was, omdat `de doelstelling niet voor een overdracht ingevolge rechterlijk vonnis is geschreven.' Van handelen buiten de doelstelling was zo geen sprake, vond hij.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 17.
Zie ook Van der Sangen (2001), p. 116.
In het oorspronkelijke wetsvoorstel stond 'indien en voorzover de certificaathouders daarmee tevoren hebben ingestemd.' Zie Kamerstukken 18 905, nr. 1-2 (Wv), p. 2. De discussie in de literatuur tussen Westbroek en Pinckaers of hiermee instemming van alle certificaathouders vereist was, noopte tot verduidelijking. Zie Westbroek (1985/2), p. 727; en Pinckaers (1986). In de nota van wijziging werd met `de desbetreffende certificaathouders' aangegeven dat het ging om de instemming van individuele certificaathouders en niet de hele groep als zodanig. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 7 (NvW), p. 1.
Zo volgt uit de toelichting, zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 17. De instemming moet blijken door namens de certificaathouders de dagvaarding uit te brengen, zodat het vonnis tegen hen kan worden geëxecuteerd, vond Van der Sangen (2001), p. 114-115. Het dagvaarden namens de certificaathouders acht ik niet nodig. De instemming moet duidelijk blijken, maar dat kan op een andere wijze, bijvoorbeeld met ondertekende briefjes die als producties in het geding worden gebracht. De bevoegdheid het vonnis te executeren tegen de certificaathouder is gebaseerd op de wet, art. 2:341 lid 6 BW. Overigens ben ik het met Van der Sangen eens dat de instemming niet een opdracht tot het instellen van de uitstotingsvordering inhoudt. Dat is een taak van het bestuur van het administratiekantoor.
De Toelichting geeft nog aan dat het administratiekantoor zich er van moet hebben vergewist of het zijn verplichtingen kan nakomen. Ik begrijp deze voorwaarde niet goed. Een gewone aandeelhouder die een ander wil uitstoten, heeft deze verplichting ook niet. Bovendien geldt bij gecertificeerde aandelen nu juist dat de certificaathouders naast het administratiekantoor aansprakelijk zijn. Dit is een extra financieel 'vangnet' voor de uitgestoten aandeelhouder die hij bij uitstoting door een normale aandeelhouder niet heeft. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 17.
Idem Losbl. Rp. (Roest) art. 336, aant. 3.
De Toelichting geeft als tip aan het administratiekantoor de certificaathouder tevoren te verzoeken om de toezegging van de nodige middelen, omdat het meestal niet in staat zal zijn zelf de aandelenprijs te betalen. Zie Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 24.
Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 718 sub d.
Kamerstukken 18 905, nr. 3 (MvT), p. 24. De vaste commissie van Justitie van de Eerste Kamer vroeg in dit verband of niet uitdrukkelijk bepaald moest worden dat de certificaathouders nieuwe certificaten ontvangen naar rato van de door hen gedane betalingen van de koopprijs van de over te dragen aandelen, zie Kamerstukken 18 905, nr. 57 (VV), p. 1-2. De minister antwoordde (Kamerstukken 18 905, nr. 57a (MvA), p. 1-2) dat in de praktijk de meeste administratiekantoren geen eigen vermogen bezitten en derhalve niet kunnen betalen. Een wettelijke regeling leek hem niet nodig, omdat de wijze van verdeling (nieuwe certificaten of aandelen naar rato van betaalde bijdragen) immers 'zeer voor de hand' lag. Kritisch hierover is Westbroek (1991), p. 26; en Santen (1993), p. 77: 'Maar wat voor de hand ligt is niet altijd juist.'.
Handboek (1992), nr. 357. Van Solinge en Nieuwe Weme schrijven dat het van de administratievoorwaarden afhangt of de certificaathouders aandelen of certificaten ontvangen, Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-11* (2009), nr. 718 sub d. Zie ook de kritiek van de in de vorige noot genoemde schrijvers.
Anders Van der Sangen (2001), p 114-115, die in verband met de veel voorkomende statutaire doelomschrijving (een verbod op het houden van niet-gecertificeerde aandelen) de oplossing ziet in de overdracht van de aandelen aan een derde, de certificaathouder.
Van der Sangen (2001), p. 114-115, stelde dat een redelijke wetstoepassing meebrengt dat het administratiekantoor voor de nieuw verkregen aandelen conform de administratievoorwaarden certificaten uitgeeft aan de instemmende (en betalende) certificaathouders.
In de uitstotingsprocedure (art. 2:336 BW) kan het administratiekantoor als aandeelhouder ten titel van beheer zowel als eiser als gedaagde optreden. Eenvoudig is de regeling echter niet.
Het administratiekantoor kan worden gedwongen de aandelen over te dragen indien de tegen hem ingestelde vordering wordt toegewezen. Vaak zal in de administratievoorwaarden of in de statutaire doelomschrijving een verbod op overdracht van aandelen staan. Het rechterlijk vonnis verplicht het administratiekantoor dan in strijd met een overeenkomst te handelen of te zondigen tegen een uitdrukkelijk statutair verbod.1 Bij de uitstoting van het administratiekantoor mogen de certificaathouders niet benadeeld worden. Zij ontvangen — via het administratiekantoor — de prijs van de aandelen.2 De certificering is met de uitstoting van het administratiekantoor gedwongen ten einde.
Het vreemde is dat in expliciete voeging van de certificaathouders in de procedure niet is voorzien. Mijns inziens behoort de rechter de certificaathouders als personen met een voldoende belang toe te laten. De uitstoting van het administratiekantoor kan hun belangen ernstig aantasten. Bij een toewijzend vonnis zijn zij in de toekomst verstoken van de dividenduitkeringen. Hun belangen verdienen in de afweging van de rechter te worden betrokken, zij vallen immers ook onder de bij de vennootschap betrokkenen.3
Een aandeelhouder ten titel van beheer kan ook als eiser in de uitstotingsprocedure optreden. De toestemming van de certificaathouders is daarvoor vereist. Zij behoren tevoren met het instellen van de vordering in te stemmen, aldus de laatste zin van art. 2:336 lid 2 BW. Ik teken aan dat het niet nodig is dat de instemming van alle certificaathouders nodig is. De wettekst spreekt over de `desbetreffende certificaathouders'.4 Deze redactie duidt erop dat de individuele certificaathouder zelf kan kiezen. Zodra één certificaathouder het verzoek van het administratiekantoor inwilligt, kan de uitstotingsvordering worden ingesteld.
Probeert een stichting administratiekantoor buiten de certificaathouders om een aandeelhouder uit te stoten, dan is zij niet ontvankelijk.5 Bij aanvang van het proces moeten de namen van de instemmende certificaathouders bekend zijn.6 Met het instemmen wordt de certificaathouder ex art. 2:341 lid 6 BW bij een toewijzend vonnis naast de aandeelhouder ten titel van beheer aansprakelijk voor de prijs van de aandelen. De instemming mag niet aan beperkende voorwaarden zijn onderworpen, zodat de certificaathouder op die manier de aansprakelijkheid probeert te ontlopen.7
De uitgestoten aandeelhouder kan dus kiezen wie hij vraagt de koopprijs te voldoen. Blijft de aandeelhouder ten titel van beheer in gebreke omdat hij niet bij machte is te betalen, dan is de certificaathouder aansprakelijk voor het verschuldigde. Hij moet, naar evenredigheid van zijn 'bezit' aan certificaten, bijspringen om de betalingsonmacht van het administratiekantoor te ondervangen.8 Weliswaar geldt dat de certificaathouder op grond van de wet aansprakelijk is naar evenredigheid, maar het staat partijen vrij anders overeen te komen.9
Om benadeling te voorkomen, zou de betalende certificaathouder de aandelen of de certificaten van aandelen kunnen ontvangen.10 Dit laatste is niet uitdrukkelijk in de wet geregeld en het is onduidelijk of de certificaathouder de aandelen mag ontvangen. Het Handboek geeft aan dat de certificaathouder geen aanspraak op de aandelen heeft, maar het administratiekantoor certificaten moet uitgeven aan iedere betalende certificaathouder.11 De geschillenregeling gebiedt echter dat de overdracht aan een aandeelhouder geschiedt. Overdracht aan een derde is niet toegestaan.12 De certificaathouder kan dus hooguit certificaten verkrijgen, de aandelen zijn voor de aandeelhouder ten titel van beheer. Of is hier sprake van een bijzondere situatie en is de certificaathouder niet echt te beschouwen als een derde? Dit behoeft in ieder geval verduidelijking.13
Lid 6 geeft aan dat het gaat om aansprakelijkheid 'krachtens (het, CB) dit artikel verschuldigde'. Dit ziet onder meer op de vervangende verplichting van lid 5. Is een andere eisende aandeelhouder niet in staat te betalen, dan is de stichting administratiekantoor als 'overige eiser' verplicht om binnen twee weken nadat dit is komen vast te staan die aandelen tegen gelijktijdige betaling te aanvaarden. Deze plicht rust vervolgens ingevolge lid 6 ook weer op de certificaathouders die hadden ingestemd met het instellen van de uitstotingsvordering. Ook voor de instemmende certificaathouder die in gebreke blijft met betalen, zijn de overige certificaathouders naar evenredigheid van hun bezit aansprakelijk. Dit alles vloeit voort uit de regel dat de aandeelhouders (en met hen dus de instemmende certificaathouders) moeten instaan voor elkaar, zie § V.4.2.