Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/1.7
1.7 Geen absoluut recht
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 25 juli 2013, appl.nos. 11082/06& 13772/05 (Khodorkovskiy & Lebedev/Rusland), § 712. Vgl. ook EHRM 3 februari 2004, appl.no. 50230/99 (Laukkanen & Manninen/ Finland), § 35: ‘As a rule, a conviction should not be based on the testimony of a witness whom the accused has not had an opportunity to challenge and question’. Zie ook EHRM 9 december 2008, appl.no. 4799/03 (Eloranta/Finland), EHRM 3 november 2005, appl.no. 64962/01 (dec.) (Ozerov/Rusland), p. 6 en EHRM 6 september 2005, appl.no. 66976/01 (dec.) (Hedström Axelsson/Zweden), p. 17. Ten aanzien van ontlastende getuigen laat het EHRM de rechter meer vrijheid. Zo overwoog het in EHRM 7 juli 1989, appl.no. 10857/84 (Bricmont/België), § 89 dat in beginsel de nationale rechters moeten beslissen of het noodzakelijk of wenselijk is om een getuige op te roepen. Zij hebben daarbij een ruime margin of appreciation.
Trechsel 2006, p. 294: ‘It is quite obvious that the right to examine witnesses is a relative guarantee.’
Zo overwoog het EHRM in EHRM 12 januari 1999, appl.no. 36686/97 (dec.) (S.E./Italië), p. 8 dat het weliswaar beter was geweest wanneer de verdediging de getuigen in kwestie zou hebben kunnen ondervragen, maar het enkele feit dat dit niet was gebeurd geen reden was om de vervolging stop te zetten. In feite hanteert het EHRM een de-minimisbenadering: alleen in zaken die er echt toe doen, zal een schending worden vastgesteld.
Zie daarover het beslismodel dat § 8.4.2 aan de orde wordt gesteld.
De tekst van artikel 6 lid 3 sub d evrm is vrij absoluut gesteld: de verdachte heeft het recht om getuigen te ondervragen. Het ehrm lijkt ook daadwerkelijk als uitgangspunt te hanteren dat iedere getuige wiens verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, door de verdediging moet kunnen worden ondervraagd, tenzij een ondervraging niet relevant kan worden geacht.1 Desondanks wordt algemeen aangenomen dat het ondervragingsrecht geen absoluut recht is.2 Onder bepaalde omstandigheden kan het onmogelijk blijken een getuige voor ondervraging beschikbaar te stellen. In dat geval zal het niet hebben kunnen ondervragen van de getuige niet direct leiden tot de vaststelling dat het ondervragingsrecht is geschonden. De verdachte heeft weliswaar een minder eerlijk proces gehad, maar niet iedere inbreuk op het ondervragingsrecht levert ook een schending van het recht op een eerlijk proces op.3 Deze wordt alleen aangenomen wanneer geen goede reden bestond voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid of wanneer de getuigenverklaring van beslissende betekenis is en onvoldoende compensatie is geboden.4