Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/9.3.2.2
9.3.2.2 De rechterlijke machtiging: een hybride rechtsfiguur
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS379997:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
P. Rémy-Corlay 2005, p. 20: 'On voit bien que le Code civil traite l'exécution par un tiers comme une mesure d'exécution forcée (...).'
Bijv. Wéry 1993, nr. 79 e.v., p. 101 e.v. Zo ook Roujou de Boubée 1974, p. 149; en Debily 2002, nr. 271-272, p. 289-291.
Malinvaud 2005, nr. 830.
Zie hierover par. 4.3.1.
Carbonnier 2000, nr. 372, p. 649, meent bijv. dat waar art. 1142 C.c. aan een veroordeling tot nakoming in de weg staat bij een verbintenis tot persoonlijke dienstverlening, de rechterlijke machtiging de schuldeiser toch in staat stelt nakoming te bewerkstelligen. Zo ook Terré, Simler & Lequette 2005, nr. 1114; Chabas 1998, nr. 935, p. 1021; en Viney 2001, p. 173-174.
Viney 2001, p. 193-194; Viney & Jourdain 2001, nr. 24-24.2, p. 50-52; en Debily 2002, nr. 40, p. 55-56.
Laithier 2004, nr. 57 p. 82-84. Anders Roujou de Boubée 1974, p. 149, die niet de prestant (schuldenaar), maar de recipiënt (schuldeiser) als karakteristieke partij aanmerkt en derhalve de rechterlijke machtiging tot nakoming rekent, omdat de schuldeiser uiteindelijk een prestatie in natura ontvangt. Zo ook Stein 1990, nr. 13 en 43.
Zie de auteurs aangehaald door Wéry 1993, nr. 78, p. 101, nt. 43. Zelf deelt hij deze classificatie niet en ziet hij de rechterlijke machtiging als een vorm van nakoming, zie nr. 79 en 140, p. 101-103 en 182-184.
Zie de door Wéry geciteerde auteurs Wéry 1993, nr. 187, p. 260, Wéry zelf ontkent de gelijksoortigheid van ontbinding en de rechterlijke machtiging, zie p. 261 e.v, zie ook Lonis-Apokourastos 2003, p. 144-145; en par. 4.2 en 4.3.1.
Bijv. Le Tourneau e.a. 2006, nr. 6033-1 t/m 6033-6; Rémy-Corlay 2005, p. 20; en Prieto 2003, p. 540-547, die in dit verband verwijzen naar art. 75 CISG dat luidt: `If the contract is avoided and if, in a reasonable marmer and within a reasonable time after avoidance, the buyer has bought goods in replacement or the seller has resold the goods, the party claiming damages may recover the difference between the contract price and the price in the substitute transaction as well as any further damages recoverable under article 74.' Zie ook art. 9:506 PECL en art. 7.4.5 Unidroit.
Debily 2002, nr. 281-288, p. 300-306. Anders dan ontbinding strekt de rechterlijke machtiging ertoe dat de schuldeiser zijn positieve contractsbelang kan verwezenlijken.
Larroumet 2003, p. 59.
Vgl. Jongbloed 1987, p. 305; en Asser/Hartkamp 2004 (4-1), nr. 644, die van mening is dat de schuldenaar de door de derde gemaakte kosten moet vergoeden ongeacht of hij tot schadevergoeding is gehouden. Anders Blaauw 1980, p. 6 en p. 15-16, die de vergoedingsaanspraak voor de gemaakte kosten geheel wil loskoppelen van de rechterlijke machtiging en als zuivere schadevergoedingsvordering ziet. Zo ook Brunner in zijn noot op HR 7 mei 1982, NJ 1983, 478(Lameris/Trechsel) en Stein 1990, p. 96.
Zo ook Debily 2002, nr. 271 en 275, p. 289 en 292-293.
Zie par. 6.4.2.
Asser/Hartkamp 2004 (44), nr. 640 en 643; Jongbloed 1987, p. 4-5 en 41; Stein 1990, nr. 3 en 13; Stein & Rueb 2005, nr. 16.1.2; Van Mierlo (Burgerlijke Rechtsvordering), Inleiding executie- en beslagrecht, aant. 5; Oudelaar 2000, p. 36-37; Stein 2002, p. 45 en 51-52; Oudelaar 2003, p. 25; en Broekema-Engelen (Verbintenissenrecht), art. 6:79, aant. 4, zie bijv. ook Wéry 1993, nr. 90-97, p. 117-127.
Anders in dit opzicht Wéry die voor de rechterlijke machtiging in het Belgische en Franse recht slechts ruimte ziet indien de tot nakoming veroordeelde schuldenaar nalaat gehoor te geven aan een veroordeling tot nakoming, zie Wéry 1993, nr. 80-88, p. 103-116.
Vgl. Vegter 1991, p. 172.
Asser/Hartkamp 2004 (44), nr. 640.
De definitie die Jongbloed aan het begrip 'reële executie' geeft, is ruimer. Hij verstaat onder reële executie 'het verrichten van een prestatie niet zijnde het betalen van een dwangsom waardoor de schuldeiser zonder de medewerking van de schuldenaar in dezelfde positie gebracht wordt, als in het geval dat de schuldenaar vrijwillig nagekomen zou zijn', Jongbloed 1987, p. 4. De rechterlijke machtiging valt wel onder deze definitie van reële executie. Dit geldt bijv. ook voor de definitie van reële executie van Stein 1988, p. 345: 'de bevoegdheid van de rechthebbende om zich, buiten medewerking van de debiteur, door middel van rechtsmaatregelen de prestatie te verschaffen waarop hij recht heeft.'
Lackmann 2007, § 887, nr. 2.
Bij de directe reële executiemiddelen geeft de deurwaarder uitvoering aan de verbintenis die de schuldenaar op zich had genomen. De deurwaarder, die in een contractuele lastgevingsrelatie tot de schuldeiser staat, vgl. Van Mierlo (Burgerlijke Rechtsvordering), art. 434, aant. 3, treedt volledig in de plaats van de schuldenaar en voert de verbintenis uit die de schuldenaar op zich had genomen. Dat is m.i. niet de rol van de derde bij een rechterlijke machtiging. De schuldeiser die een derde inschakelt, treedt niet in de positie van de niet-nakomende schuldenaar, maar sluit als zelfstandige partij een contract met een derde die een soortgelijke prestatie levert als die de schuldenaar had toegezegd.
Anders Debily, die concludeert dat de derde wel de door de schuldenaar overeengekomen verbintenis uitvoert. Volgens Debily is er bij een rechterlijke machtiging sprake van (dwang)vertegenwoordiging. Alhoewel de schuldeiser contracteert met een derde moet de schuldeiser volgens Debily worden gezien als een gevolmachtigde van de schuldenaar die op naam van en voor rekening van de schuldenaar de derde inschakelt. Het is de rechterlijke autorisatie die de schuldeiser de bevoegdheid verschaft om als gevolmachtigde (art. 3:60) van de schuldenaar met een derde te contracteren, waarbij de schuldeiser er tussenuit valt zodat rechtstreeks een contract tot stand komt tussen de schuldenaar en de derde, zie Debily 2002, nr. 301-309, p. 315-322.
Zo ook in Duitsland, zie Stein/Jonas/Brehm e.a. 2004, § 887, nr. 41; en Hartmann 2007, § 887, nr. 8. Anders Rémy-Corlay 2005, p. 20: 'En droit frangais au contraire, on considère que c'est le premier contrat qui est exécutée par le tiers, aux dépens du débiteur si le créancier y a été judiciairement autorisé.'
Indien de derde wanpresteert, is de derde en niet de schuldenaar aansprakelijk. De derde zal de kans dat bij de uitvoering van de verbintenis schade ontstaat weliswaar in de prijs verdisconteren en die prijs wordt uiteindelijk door de schuldenaar betaald, maar als deze risico's zich daadwerkelijk realiseren, dient de schuldeiser de derde en niet de schuldenaar aan te spreken. Ook naar Frans recht is er geen sprake van aansprakelijkheid van de schuldenaar voor een door de derde veroorzaakte tekortkoming, zie art. 1792-6 alinea 3 C.c. dat de opdrachtgever in het kader van de 'garantie de parfait achèvement' de bevoegdheid verschaft een derde in te schakelen op kosten van, maar niet voor het risico van de aannemer. Artikel 1792-6 alinea 3 C.c. luidt: 'En l'absence d'un tel accord ou en cas d'inexécution dans le délai fixé, les travaux peuvent, après mise en demeure restée infructueuse, être exécutés awcfrais et risques (curs, DB) de l'entrepreneur défaillant.' Volgens Wéry kan uit deze bepaling niet worden afgeleid dat de schuldenaar aansprakelijk is voor een tekortkoming van de derde, maar moet de uitdrukking 'aux frais et risques' worden gelezen als 'aux dépens du débiteur'. Aansprakelijkheid van de schuldenaar voor fouten van de derde zou volgens Wéry bovendien stuklopen op een causaliteitsprobleem, zie Wéry 1993, nr. 196, p. 270-272. Anders Debily 2002, nr. 389, p. 393-394.
Anders Asser/Hartkamp 2004 (4-I), nr. 643, die meent dat wat de schuldeiser op grond van de rechterlijke machtiging ontvangt de verschuldigde prestatie is en niet een surrogaat.
Zie ook Star Busman 1955, nr. 411 en 414, p. 423-424 en 426.
Jongbloed 1987, p. 305.
Blaauw 1980, p. 6 en p. 16; Jongbloed 1987, p. 41; en Wéry 1993, nr. 81, p. 105. Normand 1985, p. 612, spreekt in dit verband over een `obligation de laisser füre'. In Duitsland heeft men het in dit verband over een `Duldungspflichr.
Zonder gehoudenheid tot nakoming geen rechterlijke machtiging. De rechterlijke erkenning van het vorderingsrecht is evenwel niet hetzelfde als een veroordeling tot nakoming.
Vgl. Stein 1990, p. 82-83; en Debily 2002, nr. 269, p. 287.
De rechterlijke machtiging is een bijzondere rechtsfiguur, omdat zij overeenkomsten vertoont met zowel nakoming als schadevergoeding. Illustratief voor het moeilijk te duiden karakter van de rechterlijke machtiging is het gebrek aan overeenstemming dat daarover bestaat in de Franse literatuur.
De rechterlijke machtiging (art. 1144 C.c.) wordt in Frankrijk doorgaans als nakomingsvorm en niet als schadevergoeding gezien.1 Franse en Belgische auteurs die de rechterlijke machtiging als nakomingsvorm beschouwen, leggen de nadruk op het feit dat de schuldeiser, anders dan bij schadevergoeding, niet slechts een som geld ontvangt, maar een feitelijke prestatie.2 De rechterlijke machtiging breidt volgens verschillende auteurs het recht op nakoming van de schuldeiser uit.3 Als gedwongen nakoming van de verbintenis diep ingrijpt op de persoonlijke levenssfeer van de schuldenaar, verhindert art. 1142 C.c. dat de schuldenaar hiertoe wordt veroordeeld.4 Ook waar art. 1142 C.c aan een veroordeling tot nakoming in de weg staat, kan de schuldeiser echter via een rechterlijke machtiging de prestatie op kosten van de schuldenaar verkrijgen, mits de prestatie door een derde kan worden verricht.5 Viney deelt de rechterlijke machtiging in bij nakoming, omdat de Franse rechter bij nakoming, anders dan bij schadevergoeding, geen discretionaire bevoegdheid heeft. Zij acht een discretionaire bevoegdheid voor de rechter bij de rechterlijke machtiging evenmin wenselijk.6
Andere Franse auteurs trekken de rechterlijke machtiging wel in de sfeer van de schadevergoeding (in natura). Het prangende punt is volgens Laithier dat de verbintenis die de niet-nakomende schuldenaar op zich had genomen, wordt omgezet in een verplichting voor de schuldenaar tot betaling van een som geld. Die verbintenis bepaalt volgens Laithier het schadevergoedingskarakter van de rechterlijke machtiging.7 Voorts zijn er auteurs die de rechterlijke machtiging van art. 1144 C.c. niet zien als een aanvulling op het recht op nakoming, maar juist als schadevergoeding waarnaar art. 1142 C.c. de schuldeiser verwijst, indien de prestatie een hoogstpersoonlijk karakter heeft.8
De rechterlijke machtiging wordt in de Franse literatuur ook gezien in verband met schadevergoeding na ontbinding van de overeenkomst.9 Het gaat dan niet om de rechterlijke machtiging in eigenlijke zin, maar om de situatie dat de schuldeiser na ontbinding de kosten van een dekkingstransactie op de schuldenaar kan verhalen.10 Zowel bij de rechterlijke machtiging als bij schadevergoeding na ontbinding verkrijgt de schuldeiser de gewenste prestatie buiten de schuldenaar om en moet de schuldenaar voor de kosten instaan. Een verschil tussen beide rechtsfiguren is dat de rechterlijke machtiging geen voorafgaande ontbinding vereist, terwijl voor de schadevergoedingsaanspraak na ontbinding geen rechterlijke autorisatie vereist is.11
Dat de rechterlijke machtiging enerzijds overeenkomsten vertoont met nakoming en anderzijds met schadevergoeding (na ontbinding) doet Larroumet concluderen dat zij `une exécution à mi-chemin', een tussenfiguur, is.12
De rechterlijke machtiging moet mijns inziens meer in de sfeer van nakoming dan van schadevergoeding worden geplaatst. De typische schadevergoedingskenmerken, de voorwaarden voor contractuele aansprakelijkheid en de schadebegrotingsregels, zijn niet overeenkomstig van toepassing op de vergoedingsverplichting voor de schuldenaar bij een rechterlijke machtiging.13 De rechterlijke machtiging verschaft de schuldeiser geen executoriale titel ter vergoeding van de door een tekortkoming geleden schade, maar biedt de schuldeiser een executoriale titel voor een geoormerkte vergoedingsaanspraak ter zake de kosten van de derde (art. 3:299 lid 3). De rechterlijke machtiging heeft ook niet primair een compensatoir karakter.14 Vanwege de gerichtheid van de rechterlijke machtiging op het door een derde feitelijk tot stand te brengen nakomingsresultaat heeft de rechterlijke machtiging mijns inziens meer gemeen met het recht op nakoming dan met schadevergoeding.
Hoewel het karakter van de rechterlijke machtiging meer neigt naar nakoming dan naar schadevergoeding, kan de rechterlijke machtiging niet, zoals herstel en vervanging,15 als modaliteit van nakoming worden gezien. Daarvoor zijn de verschillen tussen de rechterlijke machtiging en het recht op nakoming te groot. Zo is voor de uitoefening van het recht op nakoming in beginsel geen rechterlijke interventie vereist en ontslaat alleen de rechterlijke machtiging de schuldeiser van zijn verplichting de prestatie van de schuldenaar in ontvangst te nemen. Ook verschaft alleen de rechterlijke machtiging en niet het recht op nakoming de schuldeiser de bevoegdheid om de kosten die de derde maakt op de schuldenaar te verhalen.
Moet de rechterlijke machtiging dan wellicht als executiemiddel van nakoming worden gekwalificeerd?
De meeste auteurs beschouwen de rechterlijke machtiging als een regel van directe reële executie, omdat de schuldeiser zich buiten de schuldenaar om de verschuldigde prestatie verschaft.16 De rechterlijke machtiging wijkt echter op twee belangrijke punten af van de 'gewone' directe executiemiddelen.
In de eerste plaats kan de rechter een machtiging verlenen ook zonder dat de schuldeiser nakoming heeft gevorderd, dus ook zonder dat de schuldenaar tot nakoming is veroordeeld. In dat geval kan de rechterlijke machtiging uiteraard niet worden beschouwd als een dwangmiddel van een door de burgerlijke rechter uitgesproken veroordeling tot nakoming.17 Niet een voorafgaande rechterlijke uitspraak waarbij de schuldenaar tot nakoming is veroordeeld, maar de niet-nagekomen verbintenis zelf is de basis waaraan de rechter een executoriale titel koppelt.18 Hartkamp definieert reële executie als:19
De afdwinging van de prestatie waartoe de gedaagde bij rechterlijk vonnis is veroordeeld (...) Zulk een afdwinging van de in het dictum van het vonnis aangeduide prestatie pleegt men reële executie te noemen.
Bij een rechterlijke machtiging sec, zonder veroordeling tot nakoming, is van een veroordelend vonnis echter geen sprake.20 De uitspraak waarbij de rechterlijke machtiging wordt verleend, behelst immers geen directe veroordeling van de gedaagde, maar creëert enkel (executoriale) bevoegdheden voor de schuldeiser. De rechterlijke machtiging valt dan ook niet onder deze definitie van de reële executie.21 Opvallend in dit verband is het verschil met de regeling van de Duitse variant van de rechterlijke machtiging (§ 887 ZPO), de 'Esatzvornahme', dat wel een echt dwangmiddel is. De schuldeiser heeft slechts recht op `Ersatzvornahme', indien de schuldenaar weigert uitvoering te geven aan een daaraan voorafgaande veroordeling tot nakoming (§ 704 en § 795 ZPO).22
Een tweede punt waarop de rechterlijke machtiging afwijkt van de directe executiemiddelen is dat de derde die de schuldeiser inschakelt om de prestatie uit te voeren geen uitvoering geeft aan de verbintenis die de schuldenaar was overeengekomen, maar aan een daarvan losstaande verbintenis.23 Anders dan bij de andere directe executiemiddelen vormt de derde bij de rechterlijke machtiging geen juridische verpersoonlijking van de schuldenaar.24 Een koper die op basis van een rechterlijke machtiging met een tweede verkoper contracteert, verkrijgt niet het eigendom van de zaken die de eerste verkoper had toegezegd, maar verkrijgt het eigendom van de zaken van de tweede verkoper. Dat de derde niet de verbintenis uitvoert die de schuldenaar op zich had genomen,25 blijkt ook uit het feit dat de schuldenaar niet aansprakelijk is voor een gebrek in de door de derde geleverde prestatie.26 Bij de directe executiemiddelen, zoals het executoriaal verhaalsbeslag (art. 462-474 Rv), het beslag tot afgifte (art. 491 Rv), de reële executie tot verrichten van een rechtshandeling (art. 3:300 BW) en de gedwongen ontruiming (art. 555-558 Rv) verricht of voltooit de derde (deurwaarder of rechter) exact die prestatie waartoe de schuldenaar zich jegens de schuldeiser had verbonden. De gedwongen afgifte van de onroerende zaak in geval van de verplichting tot levering doet bijvoorbeeld het eigendom daarvan op de executant overgaan. Dat de rechterlijke machtiging enigszins losstaat van de door de schuldenaar toegezegde verbintenis blijkt voorts uit het vereiste dat de prestatie vervangbaar moet zijn. Dit vervangbaarheidsvereiste geldt niet bij de andere directe executiemiddelen, omdat alleen bij de rechterlijke machtiging de derde niet exact de verplichting uitvoert die de schuldenaar op zich had genomen.27
Als steunargument voor de opvatting dat de rechterlijke machtiging in dit opzicht geen regulier executiemiddel is, kan worden verwezen naar de tekst van de wet. Artikel 1277 BW (oud) wees nog in de richting van de opvatting dat de verbintenis die de derde uitvoert dezelfde verbintenis was als die de schuldenaar op zich had genomen:28
De schuldeischer kan ook, in geval de verbindtenis niet ten uitvoer wordt gebragt, gemagtigd worden om zelf die (curs. DB) verbindtenis te doen uitvoeren ten koste van den schuldenaar.
Artikel 3:299 lid 1 daarentegen rept niet over de verbintenis die de schuldenaar op zich heeft genomen, maar verwijst naar het feitelijke resultaat dat de schuldenaar heeft toegezegd:
Wanneer iemand niet verricht waartoe hij is gehouden, kan de rechter hem jegens wie de verplichting bestaat, op diens vordering machtigen om zelf datgene te bewerkstelligen waartoe nakoming zou hebben geleid.
Dat de rechterlijke machtiging geen regulier direct executiemiddel is, neemt niet weg dat de rechterlijke machtiging de schuldeiser bepaalde executoriale bevoegdheden verschaft. De belangrijkste bevoegdheid is dat de rechterlijke uitspraak een executoriale titel oplevert voor het nemen van verhaal op de schuldenaar van de door de derde gemaakte kosten.29 Voorts verschaft de rechterlijke machtiging de schuldeiser de bevoegdheid om acties te ondernemen waartoe hij anders niet bevoegd zou zijn, zoals het betreden van het terrein van de schuldenaar om daar de prestatie door een derde te laten verrichten.30 Een punt van overeenkomst van de rechterlijke machtiging met de directe executiemiddelen is ten slotte dat uitvoering van de prestatie door een op basis van een rechterlijke machtiging ingeschakelde derde de verbintenis die de schuldenaar op zich had genomen, doet tenietgaan (art. 3:297).31 Uitvoering van de prestatie door de derde is te beschouwen als de tenuitvoerlegging door de schuldeiser van de bij de rechterlijke uitspraak verkregen executoriale titel.
De rechterlijke machtiging heeft dus zowel materieelrechtelijke als executie-rechtelijke kenmerken. Materieelrechtelijk is dat de uitspraak waarbij de rechter een rechterlijke machtiging verleent, berust op een aan de uitspraak voorafgaand materieel vorderingsrecht op nakoming dat in de rechterlijke uitspraak zijn erkenning vindt.32 Executierechtelijk is dat van de schuldeiser zelfwerkzaamheid wordt verwacht om een derde in te schakelen en de kosten op de schuldenaar te verhalen.33 De rechterlijke machtiging is dan ook een sui generis rechtsfiguur dat weliswaar nakomingsachtige trekken heeft, maar geen modaliteit is van nakoming (zoals herstel en vervanging), noch een regulier executiemiddel.