Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/3.4.6.3
3.4.6.3 Europees Handvest en Hof van Justitie
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS460891:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Zie de vervolgconclusie van Van Hilten n.a.v. de Kamino-zaak: ECLI:NL:PHR:2015:354, overweging 4.1 en ook Hoge Raad 10 juli 2015, nr. 14/04046 (ECLI:NL:HR:2015:1809; BNB 2015/187).
Gvea 27 maart 2014, T-56/09 en T-73/09, r.o. 146 (Saint Gobain).
Gvea 27 september 2012, T-343/06, r.o. 259 (Shell).
Gvea 5 april 2006, T-279/02 , r.o. 314 (Degussa).
HvJ 8 december 2011, C-386/10 P, r.o. 97 (Chalkor). Als van het gerecht geen verdergaande motivering kan worden verlangd, dan heeft dit m.i. ook te gelden voor de bestuurlijke instantie die de primaire boete heeft opgelegd (i.c. de Europese Commissie). Met andere woorden, deze uitspraak geeft in devolutieve zin mede invulling aan artikel 41 van het Handvest.
HvJ 18 december 2014, C-434/13 P, r.o. 87 (Parker Hannifin).
In het Europees Handvest is de motiveringsplicht op twee plaatsen verankerd: in artikel 41 als beginsel van behoorlijk bestuur en in artikel 47 als beginsel van een behoorlijke rechtspleging.
Artikel 41 Handvest
Artikel 41, aanhef en lid 2, letter c van het Handvest omschrijft het motiveringsbeginsel als volgt: “Dit recht behelst met name de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden.” Hoewel het eerste lid van artikel 41 Handvest aangeeft dat deze verplichting zich richt tot ‘de instellingen, organen en instanties van de Unie’, is inmiddels duidelijk dat ook lokale bestuursorganen hieraan zijn gehouden, althans, voor zover zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van de Unie vallen (zie ook onderdeel 3.4.4.5).1 Dit betekent bijvoorbeeld dat de belastingplichtige de inspecteur kan aanspreken op schending van het achterliggende motiveringsbeginsel met betrekking tot een bestuurlijke boete die is opgelegd bij een naheffingsaanslag omzetbelasting.
De motiveringsplicht van artikel 41 Handvest is in zekere zin de resultante van de rechtspraak van het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg van vóór de inwerkingtreding van het Handvest. Daarbij wordt uitgegaan van de volgende algemene vertrekpunten:
“De aan de motivering te stellen eisen moeten worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Het is niet noodzakelijk dat alle relevante omstandigheden feitelijk of rechtens in de motivering worden gespecificeerd, aangezien bij de vraag of de motivering van een handeling aan de vereisten van artikel 253 EG voldoet, niet alleen acht moet worden geslagen op de bewoordingen ervan, doch ook op de context waarbinnen de betrokken handeling is vastgesteld […]." 2
Vooral de jurisprudentie van het Gerecht van eerste aanleg met betrekking tot door de Europese Commissie opgelegde geldboeten in de mededingingssfeer – geldboeten die kunnen oplopen tot zeer grote bedragen – geeft een goed inzicht van de reikwijdte van de bestuurlijke motiveringsplicht:
“Bovendien moet eraan worden herinnerd dat de motiveringsplicht betreffende de berekening van een wegens schending van de mededingingsregels opgelegde geldboete van bijzonder belang is […]. Wanneer de Commissie zich op het begrip “onderneming” in de zin van artikel 81 EG wil beroepen om de verzwarende omstandigheid recidive mee te wegen, moet zij dus gedetailleerde en nauwkeurige gegevens ter ondersteuning van haar stelling aandragen.”3
De motiveringsplicht bij geldboeten gaat dus verder dan bij niet-punitieve besluiten. Het Hof van Justitie en het Gerecht van eerste aanleg lijken daarin vooralsnog verder te gaan dan het EHRM. Hetzelfde kan gezegd worden van de motivering van (wettelijke) strafverzwarende omstandigheden, een motivering die volgens het gerecht ‘gedetailleerd en nauwkeurig’ moet geschieden.
Maar hoe ‘gedetailleerd en nauwkeurig’ moet de motivering zijn? Onderstaande uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg werpt enig licht op het antwoord op deze vraag:
“Wat om te beginnen de gestelde schending door de Commissie van de motiveringsplicht betreft, moet worden vastgesteld dat in de punten 303 tot en met 305 van de beschikking duidelijk is vermeld dat het op grond van de zwaarte van de inbreuk vastgestelde basisbedrag van de geldboete ten aanzien van verzoekster met 100 % is verhoogd omdat het, gelet op verzoeksters grootte en totale middelen, nodig is van de geldboete een voldoende afschrikkende werking te doen uitgaan, en omdat rekening moet worden gehouden met het feit dat grote ondernemingen over juridische en economische kennis en middelen beschikken, die het voor hen gemakkelijker maakt om de aard en gevolgen van hun gedrag te beoordelen. Vervolgens vermeldt de beschikking ter rechtvaardiging van de verhoging van het uitgangsbedrag van de geldboete uitdrukkelijk verzoeksters omzetcijfer over het jaar 2000.”4
Naast het vermelden van 1) de kennis en middelen van grote ondernemingen en 2) het omzetcijfer van 2000 ter motivering van de strafverzwaring, verwijst het gerecht ook naar het doel van de (hogere) boete, een voldoende afschrikwekkende werking. Het gerecht legt dus in zijn motivering van de strafmaat een relatie tussen een strafdoel en de hoogte van de straf. Dit betreft een vergaande motivering die, zoals eerder gezegd, vermoedelijk verklaard kan worden door de hoogte van de boete in kwestie (€ 118.125.000).
Maar de plicht om (wettelijke) strafverzwarende omstandigheden ‘gedetailleerd en nauwkeurig’ te motiveren, gaat niet zo ver dat er per omstandigheid een bedrag aan moet worden gekoppeld:
“[…] Gelet op het feit dat het onmogelijk is om het gewicht van elke factor nauwkeurig te wegen, waarbij bepaalde factoren in het voordeel en andere in het nadeel van rekwirante zijn, kan het Gerecht niet worden verweten dat het ervoor heeft gekozen om de geldboete met een forfaitair bedrag te verminderen.”5
Uit het voorgaande kan geconcludeerd worden dat op grond van artikel 41 Handvest de motivering van de individuele straftoemeting ‘gedetailleerd en nauwkeurig’ moet geschieden. Dat betekent echter niet dat elke afzonderlijke strafbeïnvloedende omstandigheid expliciet gewaardeerd moet worden als sprake is van een complex geheel van strafverzwarende en strafverminderende factoren.
Artikel 47 Handvest
Terwijl artikel 41 Handvest het bestuurlijk handelen normeert, ziet artikel 47 in beginsel op gedragingen van gerechtelijke instanties. Het tweede lid van artikel 47 Handvest luidt als volgt: “Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.”
Volgens de toelichting op artikel 47, tweede lid van het Handvest correspondeert deze bepaling met het eerste lid van artikel 6 van het EVRM, het ‘fair trial’-beginsel. Dit in artikel 47 van het Handvest verankerde beginsel biedt daarmee dezelfde waarborgen als artikel 6, lid 1 EVRM, aldus de toelichting.
Er is overigens niet veel rechtspraak van het Hof van Justitie over motiveringsgebreken van gerechtelijke instanties in de straftoemeting. In een enkele casus kwam het hof tot de conclusie dat de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg om een boete te verlagen met € 100.000 vernietigd moest worden, omdat deze boetematiging in het geheel niet gemotiveerd was.6