Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/3.2
3.2 Rechtsvorm betrokken rechtssubjecten
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS649064:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De uitzondering dat beursvennootschappen niet konden worden vrijgesteld is in 1988 opgeheven. Artikel 2.1.20 Fondsreglement kan een vrijgestelde beursgenoteerde vennootschap niet alsnog (indirect) de plicht opleggen om een jaarrekening die voldoet aan titel 2.9 BW op te stellen, zie HR 24 februari 2006, JOR 2006/95.
Deze contractuele vennootschappen hebben thans nog geen rechtspersoonlijkheid, hetgeen in de toekomst zal gaan veranderen.
De Vierde Richtlijn hanteerde het begrip company. De Zevende Richtlijn en de Europese Jaarrekeningenrichtlijn noemen het begrip undertaking.
Artikel 2:403 BW is opgenomen in titel 2.9 BW. Titel 2.9 BW is van toepassing op alle rechtsvormen die zijn genoemd in artikel 2:360 BW. Dit zijn niet alleen de rechtspersonen NV, BV, coöperatie en de onderlinge waarborg maatschappij.1 Ook de vennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, zoals de commanditaire vennootschap en vennootschap onder firma, worden in artikel 2:360 BW genoemd en zijn onderworpen aan titel 2.9 BW.2 Een opmerking daarbij is bovendien dat banken altijd onder artikel 2:360 BW vallen, ongeacht de rechtsvorm.
Met dit ruime toepassingsbereik kent de Nederlandse vrijstellingsregeling een ruimer toepassingsbereik dan bijvoorbeeld de Ierse regeling die alleen van toepassing is op limited companies. De Europese regeling schrijft voor dat de regeling geldt voor ‘ondernemingen’ en hanteert de term undertaking.3 Daarnaast moet er volgens de Europese regeling sprake zijn van een subsidiary.
In artikel 2:403 lid 4 BW wordt een aantal rechtspersonen uitgesloten van de toepassing van artikel 2:403 BW:
Artikel 2:403 lid 4 BW
Dit artikel is niet van toepassing op rechtspersonen als bedoeld in artikel 398 lid 7.
Artikel 2:398 lid 7 BW luidt als volgt:
Artikel 2:398 lid 7 BW:
De artikelen 395a tot en met 397 zijn niet van toepassing op rechtspersonen die als organisatie van openbaar belang:
effecten hebben die zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt van een lidstaat in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14, van richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (PbEU 2004, L 145);
kredietinstellingen zijn in de zin van artikel 3, punt 1, van richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PbEU 2013, L 176), en die geen instellingen als bedoeld in artikel 2, lid 5, van genoemde richtlijn 2013/36/EU zijn;
verzekeringsondernemingen zijn in de zin van artikel 2, lid 1, van richtlijn 91/674/EEG van de Raad van 19 december 1991 betreffende de jaarrekening van verzekeringsondernemingen (PbEG 1991, L 374); of
bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen wegens hun omvang of functie in het maatschappelijk verkeer.