Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/2.7.5
2.7.5 Beschouwing
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS401765:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dit bleek bijvoorbeeld sterk uit de eerste helft van 2016 toen Nederland voorzitter van de EU was.
Een recent voorbeeld is bijvoorbeeld de aankondiging van de staatssecretaris in de brief van 23 februari 2018 over belastingontwijking en ontduiking dat Nederland wat betreft de implementatie van de earningsstrippingmaatregel verder wil gaan dan nodig is op grond van de Antibelastingontwijkingsrichtlijn. Ook bij de implementatie van de aanpassingen in de Moeder-dochterrichtlijn kan afgevraagd worden of Nederland niet te ver gaat met interpretatie van de bepaling tegen hybride leningen (art. 13 lid 17 Wet VPB 1969). Zie daaromtrent Kamerstukken I, 2015-2016, 34 302, nr. J en nr. G, blz. 75. Voor verdere voorbeelden en een onderbouwing verwijs ik naar het artikel P.H.J. Essers/F.J. Elsweier, Dutch expericience with European developments: a story of Dr. Jekyll and Mr. Hyde, EC Tax Review 2003/02, blz. 82-90.
In dit onderzoek wordt nauwelijks ingegaan op de innovatiebox of andere fiscale stimuleringsmaatregelen omtrent innovatie, zoals de WBSO aftrek, of de in Duitsland verleende subsidies voor innovatie. Alleen in hoofdstuk 5.1 ga ik kort in op de fiscale faciliteiten voor innovatie in beide landen.
Bijvoorbeeld in mei 2009, zie Zembla-uitzending van zondag 18 oktober 2009, Nederland belastingparadijs.
Zie het oordeel van de Europese Commissie van 21 oktober 2015 en de reactie van het Nederlandse kabinet op dit oordeel (Min. v. Fin. 27 november 2015, AFP/2015/948M).
In gelijke zin K. van Brocke/S. Müller, Die Auswirkungen des SCA Group Holding-Urteils auf das deutsche Steuerrecht, DStR 2014, 2106 en J. Hey, Perspektiven der Unternehmensbesteuerung, Gewerbesteuer – Gruppenbesteuerung – Verlustverrechnung – Gewinnermittlung, StuW 2/2011, blz. 139. Zij merkt onder meer op: “Generell wäre der Gesetzgeber gut beraten, die Umsetzung der europarechtlichen Vorgaben nicht allein der Rechtsprechung zu überlassen.”
Ten aanzien van Europese fiscale ontwikkelingen laat Nederland mijns inziens twee gezichten zien. Politiek-diplomatiek gezien roept Nederland met enig regelmaat dat het voorstander is van harmonisatie, of uniformering van fiscale regels binnen Europa.1 Bovendien speelde en speelt Nederland bij de implementatie van Europese wetgeving of jurisprudentie veelal het braafste jongetje van de Europese klas door de nationale wetgeving niet alleen tijdig aan te passen (waar op zich niets mis mee is), maar af en toe ook zo aan te passen dat deze verder gaat dan waartoe het Europees gezien verplicht is.2 Aan de andere kant laat Nederland – ter behoud van een aantrekkelijk fiscaal vestigingsklimaat – zo af en toe een ander gezicht zien doordat het fiscaal concurrerende rechtsregels kent die EU-rechtelijk net kunnen (bijvoorbeeld de innovatiebox3 en de in het regeerakkoord aangekondigde afschaffing van de dividendbelasting), maar ook die net niet konden (bijvoorbeeld het als staatssteun aangemerkte concernfinancieringsregime). Daarnaast is Nederland de afgelopen jaren (al dan niet terecht) steeds meer in een negatief fiscaal daglicht komen te staan met als absolute dieptepunten het feit dat de Verenigde Staten Nederland als belastingparadijs4 aanmerkte en de Starbucks-ruling affaire.5
Duitsland toont wat dat betreft politiek een wat consistenter beeld ten aanzien van Europese fiscale ontwikkelingen. Duitsland worstelt ook met de nodige aanpassingen in de nationale wetgeving naar aanleiding van Europese fiscale ontwikkelingen, maar dat ziet meer op het moeten aanpassen van nationale wetgeving, omdat deze in strijd is met de Europese verdragsvrijheden. Overigens blijkt in de praktijk dat Duitsland zeer langzaam en terughoudend is in het aanpassen van nationale wetgeving naar aanleiding van (voor de Duitse schatkist negatieve) Europese rechtspraak.6
Samenvattend, kan gesteld worden dat zowel Nederland als Duitsland te maken heeft met het feit dat de afgelopen decennia de invloed van het Europese recht op het nationale recht groter is geworden. Een belangrijke voorwaarde voor het mogelijk inpassen van een Duitse rechtsregel in de Nederlandse winstbelasting van lichamen is wat mij betreft dus dat de desbetreffende Duitse rechtsregel de Europeesrechtelijke toets kan doorstaan. In veel gevallen zal dat het geval zijn, aangezien uiteraard Duitsland zich ook te houden heeft aan de Europeesrechtelijke wetgeving. Het kan echter zo zijn dat – net als in Nederland – ook de Duitse wetgever bij bepaalde rechtsregels worstelt met de EU-rechtelijke houdbaarheid, waardoor het niet aanbevelenswaardig kan zijn een rechtsregel in te voeren in Nederland. Dit punt komt in mijn onderzoek nadrukkelijk naar voren bij het fiscaal-juridisch toetsen van de rechtsregels (zie hoofdstuk 1.3.2.4). Dit betekent dat ik onder andere toets of de Nederlandse en Duitse rechtsregels recht doen aan internationaal en Europees recht. Zoals al aangegeven, ben ik van mening dat ook recht gedaan moet worden aan Europese ontwikkelingen zoals de C(C)CTB. Niet dat ik vind dat de C(C)CTB leidend is, maar het zou mijns inziens niet aanbevelenswaardig zijn als Nederland zonder goede reden tegen de Europese stroom inroeit. Dit punt komt terug in de internationale/Europese fiscale ontwikkelingentoets uit mijn toetsingskader. Een integrale toetsing of behandeling of de besproken rechtsregels wel voldoen aan het Europese recht en een integrale weergave van de verhouding tussen de desbetreffende rechtsregels en de voorgestelde bepalingen in de Antibelastingontwijkingsrichtlijnen of C(C)CTB valt echter buiten het bestek van mijn onderzoek.