Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/3.5
3.5 Artikel 4:187 BW: afgaan op verklaring van erfrecht
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859078:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook De Vries, WPNR 2020/7294, p. 611.
Een overbodige bepaling aldus Perrick omdat ook zonder deze bepaling degene die wist of door grove schuld niet wist dat de inhoud van de verklaring niet met de werkelijkheid overeenstemt, zich niet als te goeder trouw kan beschouwen, Asser/Perrick 4 2021/549. Zie ook Reinhartz, in: GS Erfrecht, art. 4:187 BW, aant. 6 (online, bijgewerkt tot en met 1 oktober 2019).
Van Mourik & Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2021/79.1, Reinhartz, in: GS Erfrecht, art. 4:187 BW, aant. 1 (online, bijgewerkt tot en met 1 oktober 2019) en Verstappen, in: Handboek Erfrecht 2020, p. 545.
Vgl. Van Mourik & Schols, Erfrecht (Mon. Pr. nr. 1) 2021/79.1 in gelijke zin bij de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en het afgaan op een verklaring van erfrecht. Zie ook par. 3.4.1.
Reinhartz, in: GS Erfrecht, art. 4:187 BW, aant. 2 (online, bijgewerkt tot en met 1 oktober 2019).
Zie hierover nader par. 3.4.2. Zie uitgebreider over het afgaan op een verklaring van erfrecht, Asser/Perrick 4 2021/549 en 550 alsmede Perrick, WPNR 2014/7022, p. 534-535.
In de vorige paragraaf is aangestipt dat naast artikel 4:3 lid 2 BW derdenbescherming kan worden ontleend aan de artikelen 3:86 – 3:88 BW als aan de daarin genoemde voorwaarden wordt voldaan. Naast deze bepalingen, biedt artikel 4:187 BW een helpende hand als wordt afgegaan op een verklaring van erfrecht die later onjuist blijkt te zijn.1
Degene die is afgegaan op de in een verklaring van erfrecht vermelde feiten, geldt te dezen aanzien als te goeder trouw, zo bepaalt lid 1. Een schuldenaar die, afgaande op de in de verklaring van erfrecht vermelde feiten, heeft betaald aan iemand die niet bevoegd was de betaling te ontvangen, kan aan degene aan wie betaald moest worden, tegenwerpen dat hij bevrijdend heeft betaald, aldus lid 2. Hierop maakt de bepaling in het derde lid een uitzondering indien degene die op de verklaring is afgegaan, wist of door grove nalatigheid niet wist, dat de inhoud van de verklaring niet overeenstemt met de werkelijkheid.2 Dat is het geval als van diegene op grond van bijzondere omstandigheden een nader onderzoek kon worden gevergd dat hem van de onjuistheid van de verklaring zou hebben doen blijken.3 Bij onwaardigheid kan in dit verband worden gedacht aan de situatie dat degene die afgaat op de verklaring van erfrecht weet of gelet op de omstandigheden van het geval behoort te weten dat een strafrechtelijke procedure loopt die ertoe kan leiden dat een in de verklaring van erfrecht genoemde persoon onwaardig wordt.4
De goede trouw wordt verondersteld totdat het tegendeel bewezen is, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan nader onderzoek geboden was. De goede trouw is daarbij beperkt tot feiten waartoe de notaris heeft geconcludeerd en niet over de onderliggende bronnen waarop de notaris zijn oordeel heeft gebaseerd.5
Artikel 4:187 lid 2 BW heelt een onjuiste betaling als te goeder trouw wordt afgegaan op de verklaring van erfrecht. Voor overige verkrijgingen geeft het artikel enkel invulling aan de goeder trouw. De verkrijging zelf wordt er niet door geheeld. Artikel 4:187 lid 1 BW is een hulpmiddel en kan in die zin van pas komen bij de toepassing van artikel 4:3 lid 2 BW.
Bij de artikelen 3:86 BW en 3:88 BW is artikel 4:187 BW eveneens van betekenis bij de invulling van het goeder trouw begrip. Wel blijft bij artikel 3:86 BW gelden dat het geen betrekking heeft op de overdracht van roerende zaken, niet registergoederen, rechten aan toonder of order om niet en bij artikel 3:88 BW zit de restrictie dat de onbevoegdheid moet voortvloeien uit de ongeldigheid van een vroegere overdracht, die niet het gevolg was van onbevoegdheid van de toenmalige vervreemder. Artikel 4:3 lid 2 BW kan dan uitkomst bieden, omdat het deze beperkingen niet kent.6