Einde inhoudsopgave
Ontwikkelingen in het civielrechtelijk conservatoir beslag in Nederland (BPP nr. XV) 2013/10.3.4
10.3.4 De gegrondheid van de vordering
mr. M. Meijsen, datum 27-05-2013
- Datum
27-05-2013
- Auteur
mr. M. Meijsen
- JCDI
JCDI:ADS495801:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Beslagsyllabus juli 2011, p. 8, recent: Beslagsyllabus augustus 2012, p. 8-9.
Zie de inventarisatie in het Groenboek bankbeslag.
Bijlage I van het voorstel Europees bankbeslag, p. 43, in de Nederlandse versie per abuis vertaald met ‘Hoofdstuk I’.
Onderdeel 7, formulier, p. 47.
Toelichting, par. 3.1.2, p. 7: voorwaarden en procedure voor het uitvaardigen van een bevel.
Beslagsyllabus juni 2011 en augustus 2012, p. 4-5 onder 3.
In het kader van het Full Disclosure beginsel, zie paragraaf 9.2.6. Ook Van den Heuvel en De Lange maken melding van de omstandigheid dat het voorstel Europees bankbeslag minder strenge eisen stelt aan de motivering van het verzoek omdat het geen vereiste kent tot het vermelden van de bekende verweren van de debiteur tegen de vordering: Van den Heuvel & de Lange 2011.
Bron: Expert-Interview met mw. mr. P.M.M. van der Grinten, Coördinerend Raadadviseur voor het Ministerie van Veiligheid en Justitie op 2 oktober 2011.
Zie hierover ook paragraaf 5.3.2 en paragraaf 9.2.6 en de paragrafen 9.2.6.1-9.2.62.
Expliciet in de overwegingen (14) van het voorstel Europees bankbeslag: ‘Geen enkele partij kan worden verplicht om zich door een advocaat of beoefenaar van een juridisch beroep te laten vertegenwoordigen in procedures krachtens deze verordening.’
Van Esch 2011a, p. 307. De auteur baseert zijn visie op een interpretatie van art. 7 voorstel Europees bankbeslag in onderlinge samenhang met lezing van art. 8 voorstel Europees bankbeslag. De verwijzing in dit kader naar Broekveldt 2003 voor de wijze waarop de summiere beoordeling plaatsheeft is intussen achterhaald door de nieuwe Beslagsyllabus juni 2011.
Een eerste vraag die in verband met de afgifte van een EAPO gesteld kan worden is wanneer een gerecht overtuigd zal zijn dat een vordering gegrond lijkt. Is dat een beoordeling als ware sprake van verstek zoals in de Nederlandse rechtspraktijk? Immers, door de wijzigingen in de Beslagsyllabus die in werking traden per 1 juli 2011 is duidelijk geworden dat een tekstueel kader kan worden ingevuld binnen een redelijk breed spectrum van uitleg. Zo bleven de wettekst van art. 700 lid 2 Rv, waarin wordt gesproken van een summiere beoordeling van rekesten, alsook de bepalingen in de Beslagsyllabus (de rechtmatigheidstoets, gegrondheidstoets en afweging van belangen)1 ongewijzigd. Desondanks is in de Beslagsyllabus de beoordeling van beslagrekesten aangescherpt met een zwaardere toetsing van verzoeken tot verlofverlening, om een diepgaander beoordeling van beslagrekesten door de voorzieningenrechter mogelijk te maken.
Men zou denken dat in het geval van het voorstel Europees bankbeslag, wil men een eenvormige procedure ook eenvormig toegepast zien, een noodzaak bestaat tot nadere uitwerking van (de bedoeling achter) begrippen. De gerechten in de diverse lidstaten hebben anders immers geen ander kader voor uitleg en interpretatie voorhanden dan de tekst van het voorstel, de toelichting en de overwegingen, tezamen met het referentiekader dat bestaat uit kennis over het eigen rechtssysteem, en deze laatste verschillen aanzienlijk.2 Enige indicatie over de beoordeling kan worden afgeleid uit het formulier, waarmee verzoeken tot een EAPO worden ingediend.3 Bij ‘Bedrag van de vordering en gronden voor de vordering’ moeten ‘relevante feiten die redelijkerwijze met bewijzen worden gestaafd’ worden aangevoerd.4 In de aanhef van het formulier wordt gesproken over het bijvoegen van ‘alle relevante (bewijs)stukken, zoals overeenkomsten, rekeningen, correspondentie tussen partijen etc.’ Artikel 8.2 (e) voorstel Europees bankbeslag schrijft voor dat het formulier ‘een beschrijving van de relevante omstandigheden, die aan de vordering en, in voorkomend geval, de gevorderde rente ten grondslag liggen’ moet bevatten. Hierbij dienen ‘alle nuttige bewijsstukken’ te worden meegezonden (art. 8.3 voorstel Europees bankbeslag). De toelichting5 vermeldt tenslotte dat de schuldeiser moet aantonen dat hij goede vooruitzichten heeft om in het bodemgeschil zijn gelijk te halen; dat wil zeggen dat zijn vordering op het eerste gezicht gegrond is. Dat klinkt als een behoorlijke vergaande verplichting voor de beslaglegger om informatie te verstrekken. Hoe ver deze verplichting zich uitstrekt is echter moeilijk te bepalen omdat de artikelen 7 jo. 8 voorstel Europees bankbeslag – in tegenstelling tot de huidige Nederlandse regeling in de Beslagsyllabus –6 geen expliciete verplichting kennen tot het vermelden van het verweer van de wederpartij.7 Ook in de overige tekst wordt niet gesproken over het vermelden van tegenargumenten van de wederpartij. Hoe moet deze afwezigheid worden geduid? Navraag bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie leert dat dit vooralsnog moet worden gezien als de afwezigheid van een verplichting om het verweer van de wederpartij te vermelden.8 Uit de praktijk in Nederland is bekend dat een dergelijke niet expliciete verplichting tot vermelding, waarvan ook in Nederland voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Beslagsyllabus juni 2011 sprake was, niet leidt tot spontane vermelding van het verweer van de wederpartij. De (advocaat van) beslaglegger is gebleken niet erg geneigd te zijn om gegevens te verstrekken die ertoe kunnen leiden dat een verlof niet wordt verleend, het reeds lang voor de inwerkingtreding van de Beslagsyllabus juni 2011 geldende artikel 21 Rv dat verplicht om van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren, ten spijt.9 Dit gegeven, gecombineerd met de omstandigheid dat het aanvraagformulier EAPO buiten tussenkomst van een advocaat ingediend kan worden,10 zodat het veelal de beslaglegger zelf zal zijn die informatie verstrekt, maakt het uiterst twijfelachtig of het gerecht dat een EAPO beoordeelt hierbij belangen van de beslagene überhaupt wel kan meewegen. Wanneer essentiële gegevens met betrekking tot het verweer, noodzakelijk voor een afgewogen beoordeling van een verzoek tot uitvaardiging van een EAPO niet beschikbaar zijn, zal die beoordeling (noodgedwongen) uiterst onevenwichtig zijn.
De visie van Van Esch onderschrijft het verschil in interpretatie waartoe de tekst van het voorstel Europees bankbeslag kan leiden. Deze auteur meent dat het onderzoek dat een gerecht moet verrichten om op een verzoek tot uitvaardiging van een EAPO te beslissen verder gaat dan het summierlijk onderzoek dat de Nederlandse rechter ingevolge art. 700 lid 2 Rv verricht.11