Nemo tenetur in belastingzaken
Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.2.1:3.3.2.1 Inleiding
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/3.3.2.1
3.3.2.1 Inleiding
Documentgegevens:
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS484603:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Voorbeelden daarvan in de Nederlandse rechtsorde zijn de procedure van verzet van de schuldenaar tegen het verhaal op zijn vermogen ter inning van een aan hem opgelegde strafrechtelijke vermogenssanctie (zie HR 23 mei 2006, NJ 2007, 145) en de procedure van art. 12 Sv (zie EHRM 15 mei 2007 (Ramsahai e.a. t. Nederland), NJ 2007, 618 (m.nt. Schalken)).
Vgl. Kamerstukken II 2005/06, 29 702, nr. 7, p. 40 e.v.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het recht op een behoorlijk strafproces in art. 6, lid 1 EVRM is toepasselijk op alle procedures waarin de gegrondheid van een tegen de verdachte ingestelde strafvervolging (‘determination of a criminal charge’) wordt bepaald. Procedures die niet (mede) daarop betrekking hebben, vallen niet binnen het toepassingsbereik van art. 6. Althans, niet via het criterium ‘criminal charge’, maar eventueel wel via het criterium ‘civil rights and obligations’ in art. 6, lid 1.1
Het criminal charge-begrip in art. 6, lid 1 EVRM is niet gedefinieerd in dat artikellid en ook niet elders in het Verdrag.2 Het nut van de zogenoemde ‘travaux préparatoires’ bij het EVRM voor de interpretatie van dat begrip is uiterst beperkt. De ontstaansgeschiedenis staat alleen stil bij de grondgedachte achter de vastlegging van procedurele waarborgen in art. 6.
Voor de duiding van het vervolgingsbegrip in art. 6 kan wel worden gesteund op de uitleg die het EHRM daaraan geeft in zijn rechtspraak. Of de Straatsburgse rechtspraak over de inhoud van het criminal charge-begrip is uitgekristalliseerd, is niet met zekerheid te zeggen. Het EHRM (en eerder de ECRM) heeft niet een eenduidige, vaste omschrijving van het criminal charge-begrip gegeven.
Ook de Nederlandse wetgever is van mening dat het lastig is een op de Straatsburgse rechtspraak aansluitende omschrijving van het ‘charge’-begrip te geven.3 Wel was al snel duidelijk dat het EHRM het criminal charge-begrip als voorwaarde voor de toepasselijkheid van de in het Verdrag vastgelegde of belichaamde verdedigingsrechten, autonoom ofwel los van de nationale rechtsorden van de verdragsstaten uitlegt.