Einde inhoudsopgave
Exoneraties in (ICT-) contracten tussen professionele partijen (R&P nr. 141) 2006/5.2.2
5.2.2 Wanverhoudingen
Mr. T.J. de Graaf, datum 15-05-2006
- Datum
15-05-2006
- Auteur
Mr. T.J. de Graaf
- JCDI
JCDI:ADS406951:1
- Vakgebied(en)
Informatierecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 5 januari 1968, NJ 1968, 102 (concl. A-G Van Oosten; Vliegtuigvleugel of Fokker/Zentveld; m.nt. G.J. Scholten).
Parl. Gesch. Boek 6, p. 449-450 (M.v.A. II).
Krans 1999, p. 333.
HR 18 december 1981, NJ 1982, 71 (concl. A-G Ten Kate; Thermostaten of Van Kleef/Monster).
Eigenlijk heeft Jennen de thermostaten verkocht, maar aangezien Monster aansprakelijkheid heeft erkend voor de verplichtingen van Jennen en Monster ook als procespartij optreedt, zal ik gemakshalve alleen van Monster spreken.
Van Dunné 2004, p. 407-408.
HR 8 maart 1991, NJ 1991, 336 (concl. A-G Hartkamp; De Kleijn/Van der Ende of Staalgrit).
Van der Horst 2005, p. 214.
HR 7 december 2001, JOR 2002, 44 (concl. A-G De Vries Lentsch-Kostense; GeerisNan Beusekom).
In deze paragraaf bespreek ik de invloed die uitgaat van wanverhoudingen (tussen beloning en mogelijke schade enerzijds en tussen exoneratie en mogelijke schade anderzijds) op de aansprakelijkheid van de leverancier en op diens exoneratie.
Invloed op aansprakelijkheid
Een wanverhouding tussen beloning en mogelijke schade (geringe beloning en mogelijke grote schade) kan volgens het Vliegtuigvleugel-arrest in de weg staan aan het toerekenen van de tekortkoming aan de gebruiker van een hulpzaak (zie 5.2.1).1 Dit argument wordt in de praktijk ook wel gebruikt om aansprakelijkheid te ontlopen.
Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat belangenloze dienstverlening een reden kan zijn voor de rechter de matigingsbevoegdheid ex art. 6:109 BW toe te passen.2 Met Krans meen ik dat in het verlengde daarvan de rechter eveneens gebruik kan maken van die matigingsbevoegdheid ingeval van een wanverhouding tussen beloning en mogelijke schade.3
Invloed op exoneratie
Welke invloed heeft een wanverhouding tussen de beloning en de mogelijke schade op de toets of (een beroep op) een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is? Deze vraag is aan de orde gekomen in het Thermostaten-arrest.4 Kort gezegd komt deze zaak op het volgende neer. Monster5 verkoopt thermostaten aan Van Kleef. Die thermostaten zijn bestemd voor installatie in een bepaald woningproject. Blijkens de toepasselijke REKU-voorwaarden 'geldt de voldoening aan de garantieverplichtingen als enige en algehele schadevergoeding en is elke andere vordering tot schadevergoeding uitgesloten, ... tenzij een en ander is te wijten aan opzet of grove schuld van de verkoper of diens ondergeschikten ...'. De thermostaten produceren te hoge temperaturen, waardoor de in beton gegoten verwarmingsbuizen uitzetten en scheuren in de plafonds veroorzaken. Van Kleef vordert van Monster NLG 126.790,85 aan schadevergoeding.
De Hoge Raad oordeelt dat bij de beantwoording van de vraag of een exoneratie in strijd is met de goede trouw, twee omstandigheden (onder meer) relevant zijn. Voor het oordeel dat de exoneratie niet in strijd is met de goede trouw spreekt de omstandigheid dat de exoneratie betrekking heeft op de levering van een weinig kostbaar artikel, waarvan een defect tot een schade kan leiden die in geen verhouding staat tot de waarde van het artikel (wanverhouding beloning en mogelijke schade). Tegen het oordeel dat de exoneratie niet in strijd is met de goede trouw spreekt de omstandigheid dat de exoneratie de aansprakelijkheid beperkt tot een fractie van de in geval van wanprestatie te verwachten schade (wanverhouding exoneratie en mogelijke schade, zie (in kritisch zin) 4.2).
Hoe deze twee omstandigheden zich tot elkaar verhouden geeft de Hoge Raad niet aan.6 De A-G in deze zaak, Ten Kate, meent dat als op basis van de eerste omstandigheid (wanverhouding beloning en mogelijke schade) de exoneratie redelijk te achten is, op basis van de tweede omstandigheid (wanverhouding exoneratie en mogelijke schade) geen wanverhouding meer mag worden aangenomen. Dat ben ik met hem eens. Het meest waarschijnlijke scenario is dat als iemand een weinig kostbaar artikel of weinig kostbare dienst levert waardoor bij wanprestatie omvangrijke schade kan ontstaan (wanverhouding beloning en mogelijke schade), hij zijn aansprakelijkheid — in verhouding tot de mogelijke schade — in vergaande mate beperkt (wanverhouding exoneratie en mogelijke schade). In dat geval zijn beide omstandigheden niet met elkaar te rijmen en prevaleert mijns inziens de eerste omstandigheid. De wanverhouding tussen beloning en mogelijke schade werpt gewicht in de schaal ten gunste van het oordeel dat (een beroep op) de exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is.
De leverancier die zich er van bewust is dat zijn weinig kostbare product of dienst omvangrijke schade kan veroorzaken en juist daarom uit voorzichtigheid een vergaande exoneratie bedingt, dient niet te worden 'gestraft' voor zijn voorzichtigheid. Zijn concurrent die geen exoneratie bedingt is immers onder soortgelijke omstandigheden ook niet aansprakelijk.
Verder kan sprake zijn van een wanverhouding tussen de mogelijke schade en de exoneratie in die zin dat de mogelijke schade hoog is en het volgens de exoneratie maximaal te vergoeden bedrag gering (of zelfs nihil). In het Staalgrit-arrest billijkt de Hoge Raad dat het betreffende Hof aan die omstandigheid (naast andere omstandigheden) waarde toekent bij de toetsing van een exoneratie en meent dat dat Hof daarmee tot uitdrukking heeft willen brengen dat die exoneratie uiterst nadelig is voor de afnemer.7 In een interview zegt Rijken dat uit dat arrest volgt dat exoneraties waarin staat 'wij zijn nooit aansprakelijk' niet mogen en dat als je die rechtspraak volgt á dat soort exoneraties onderuit gaan.8 Ik realiseer me dat interviews zich niet goed lenen voor het aanbrengen van nuances en weet niet of Rijken deze uitspraak ook in schrift gestand zou doen. Voor het geval Rijken ook in schrift geen nuance zou willen aanbrengen, meen ik dat uit het Staalgrit-arrest enkel kan worden afgeleid dat de Hoge Raad een wanverhouding tussen de mogelijke schade en de exoneratie als één van vele relevante omstandigheden aanmerkt, en dus niet als een op zich zelf staande omstandigheid die er automatisch toe leidt dat een beroep op een exoneratie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ook uit het arrest Geeris /Van Beusekom blijkt dat volgens de Hoge Raad een 'wij zijn nooit aansprakelijk' exoneratie door de beugel kan (zie 3.3).9
Hoe het ook zij, ook hier geldt mijns inziens dat de contractsvrijheid mee brengt dat de afnemer zich bij het uitonderhandelen van het contract moet realiseren wat aard en hoogte van de mogelijke schade zijn en een voor hem aanvaardbare exoneratie overeen moet komen. Slaagt hij daar niet in, dan kan worden betoogd dat hij daarmee het risico neemt dat de vergoeding volgens de exoneratie gering is in verhouding tot de mogelijke schade. De afnemer zou dit risico wellicht willen nemen als de prijs voor het te leveren product of de te leveren dienst laag is of als de eventueel in verband daarmee veroorzaakte schade door zijn verzekering is gedekt.