Einde inhoudsopgave
Doorwerking van de beginselen van behoorlijke rechtspleging 2010/I.4.3.7
I.4.3.7 Het motiveringsbeginsel
mr. D.W.M. Wenders, datum 27-09-2010
- Datum
27-09-2010
- Auteur
mr. D.W.M. Wenders
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
A.M.L Jansen, 'Op goede gronden. De motivering van uitspraken door de bestuursrechter', in: A.W. Heringa, A.M.L. Jansen, E.C.H.J. van der Linden, L.F.M. Verhey (red.), Het bestuursrecht beschermd (liber amicorum F.A.M. Stroink), Den Haag: Sdu 2006, p. 173; Jansen 2004, p. 70; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 64; De Waard 1995, p. 448. Zie ook de toelichting op art. 121 GW in: Koekkoek 2000, p. 551.
De tekst van de bepaling suggereert dat in elk geval, door het gebruik van de term vonnissen, niet. De bedoeling van de grondwetgever was echter wel dat ook de uitspraken van de bestuursrechter onder de werking van deze eis vielen, Kamerstukken 111979/80, 16 162, nr. 3, p. 21-23.
Jansen 2006, p. 173; Jansen 2004, p. 70; Koekkoek 2000, p. 551; De Waard 1995, p. 448-449. Zowel Jansen als De Waard pleiten mijns inziens terecht voor aanpassing van de tekst van de bepaling door vervanging van de term vonnissen door rechterlijke uitspraken, Jansen 2004, p. 70; De Waard 1995, p. 448-449.
Jansen 2006, p. 173. Jansen wijst op CRvB 27 september 2002, AB 2003/83 m.nt. FP, als een van de weinige uitspraken waarin art. 121 GW een rol speelt en ook nog strijdigheid met die bepaling wordt aangenomen.
Zie bijvoorbeeld: AbRvS 16 mei 2002, AB 2002/267 m.nt. Sew (strijd met art. 8:77 lid 2 Awb); AbRvS 28 december 2001, AB 2002/146 m.nt. Sew (strijd met art. 8:77 lid 2). Zie voor meer voorbeelden: Jansen 2006, p. 174.
AbRvS 16 april 2008, LJN BC9614, r.o. 2.1. In die uitspraak overweegt de Afdeling dat zij ambtshalve constateert dat de beslissing van de rechtbank niet in de bestreden uitspraak is opgenomen en dat de uitspraak, wegens strijd met art. 8:77 sub c Awb, moet worden vernietigd.
Zie over ambtshalve toetsing: D. Brugman, 'Ambtshalve toetsing afgebakend. De plaats van ambtshalve toetsing in het bestuursprocesrecht in nationaal- en Europeesrechtelijk perspectief', NTB 2005, 34, p. 265-266. Het is geen gemeengoed dat aan beginselen van behoorlijke rechtspleging of wettelijke bepalingen waaraan deze ten grondslag liggen, ambtshalve moet worden getoetst. In de literatuur wordt daarvoor door sommigen gepleit. Bijvoorbeeld Verheij in zijn noot bij AbRvS 24 december 2003, AB 2004/383 waarin hij zich op het standpunt stelt dat fundamentele beginselen van behoorlijke rechtspleging behoren tot bepalingen waaraan de rechter ambtshalve dient te toetsen. Zie hierover: A.M.L. Jansen & D.W.M. Wenders, `De unificerende werking van de redelijke termijn. Een kroniek van de redelijke termijn', NJCM-Bulletin 2006, p. 1122-1125. De hoogste bestuursrechters hebben zulks echter nog nimmer expliciet overwogen.
Zie de vorige noot.
Jansen 2004, p. 65-70; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 64.
EHRM 27 september 2001, Hirvisaari t. Finland, NJCM-Bulletin 2001 m.nt. R.J.N. Schlfissels, par. 30. Zie ook: EHRM 4 oktober 2007, Sanchez Cardenas t Spanje, EHRC 2007/141; EHRM 27 september 2007, Estate of Nitschke t. Zweden, nr. 6301/05; EHRM 22 februari 2007, Tatashvili t. Rusland, ERHC 2007/59; AB 2007/324 m.nt. Barkhuysen en Schuumians. Zie voor meer jurisprudentie: Jansen 2006, p. 176-178; Kuijer 2004, p. 167170; J. van der Velde, 'Eerlijke en openbare behandeling', in: A.W. Heringa, J.G.C. Schokkenbroek, J. van der Velde, EVRM Rechtspraak & Commentaar. Art. 6 Eerlijk proces, Den Haag: Sdu 2004, katem par. 3.6, par. 3.6.4.7, p. 21-24; Jansen 2004, p. 65-70.
Jansen 2006, p. 171; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 657-658; Jansen 2004, p. 65-70; Stroink 2004b, p. 130; De Waard 1995, p. 448449; Stroink 1993, p. 66 en 68-69; Widdershoven 1989, p.152; De Waard 1987, p. 371 e.v.; Van der Heijden 1984, p. 49.
Jansen 2006, p. 176; Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 657-658.
Zie ook: Jansen 2006, p. 176; Jansen 2004, p. 66.
Zie o.m.: EHRM Hiro Balani t. Spanje, 9 december 1994, nr. 18064/91; EHRM 29 mei 1997, Georgiadis t. Griekenland, nr. 21522/93; EHRM 19 december 1997, Helle t. Finland, nr. 20772/92.
Zie ook: EHRM 19 april 1994, Van de Hurk t. Nederland, NJ 1995/462 m.nt. EAA, par. 61. Jansen 2004, p. 67; Widdershoven 1989, p. 153; De Waard 1987, p. 387.
EHRM Hiro Balani t. Spanje, 9 december 1994, nr. 18064/91. Zie ook: Jansen 2004, p. 67 en Schleossels in zijn noot bij Hirvisaari, p. 294. Zie over motiveringseisen inzake bewijsmiddelen de noot van Barkhuysen en Schuurman bij Tatashvili.
Zie de hiervoor genoemde uitspraak Hirvisaari. Ook in: EHRM 27 september 2007, Estate of Nitschke t. Zweden, nr. 6301/05.
Zie de hiervoor genoemde uitspraak Hirvisaari, par. 30. Verder: EHRM 27 september 2007, Estate of Nitschke t. Zweden, nr. 6301/05; EHRM 21 januari 1999, Garcia Ruiz t. Spanje, nr. 30544/96; EHRM 19 december 1997, Helle t. Finland, nr. 20772/92.
Hirvisaari, par. 31 en 33; Tatashvili, par. 61-62. Zie hierover de noot van Schleossels bij Hirvisaari, punt 2.
EHRM 29 mei 1997, Georgiadis t. Griekenland, nr. 21522/93, par. 43; in het nationale geschil stond het begrip `gross negligence en de vraag of daarvan sprake was centraal. Zie hierover: Jansen 2004, p. 66; Rapport VAR-Commissie Rechtsbescherming 2004, p. 64.
Zie hierover: Jansen 2006, p. 174-176.
CRvB 11 december 2003, JB 2004/88 m.nt. AMLJ; AbRvS 22 mei 2002, AB 2002/247 m.nt. Sew; AbRvS 17 oktober 2001, AB 2002/108 m.nt. Sew.
AbRvS 4 mei 2005, LJN AT5101, r.o. 2.3.
Zie hierover: Jansen 2006, p. 179-182 en de noten bij: CRvB 31 mei 2007, AB 2007/285 m.nt. Y.E. Schuur-mans; AbRvS 15 mei 2002, AB 2003/196 m.nt. LD; CRvB 21 januari 1999, AB 1999/169 m.nt. HBr.
Zie de noot bij AbRvS 15 mei 2002, AB 2003/196 m.nt. LD.
EHRM 4 oktober 2007, Sanchez Cardenas t. Noorwegen, EHRC 2007/141.
Een geval waarin het EHRM tot een schending komt van art. 6 lid 1 EVRM vanwege een overdaad aan motivering ben ik niet tegengekomen.
Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male 2008, p. 657-658; Jansen 2004, p. 65-66; Stroink 1993, p. 70; Widdershoven 1989, p. 152; De Waard 1987, p. 371-374.
Stroink 1993, p. 70; De Waard 1987, p. 371.
Kuijer 2004, p. 167; Stroink 1993, p. 70.
Jansen 2006, p. 172; Kuijer 2004, p. 167; Stroink 1993, p. 70; Widdershoven 1989, p. 152; De Waard 1987, p. 372. Zie ook Schlfissels in zijn noot bij Hirvisaari.
Vgl. Jansen 2006, p. 183; Jansen 2004, p. 70. Soms wordt daaraan nog toegevoegd dat motivering vanuit het algemeen belang gewenst is omdat het publiek in een democratische samenleving behoort te weten om welke reden een uitspraak namens die samenleving gedaan is, Kuijer 2004, p. 167. De Waard noemt dit de legitimatiefunctie naar de gemeenschap van rechtsgenoten, De Waard 1987, p. 372.
Stroink 1993, p. 70; De Waard 1987, p. 372.
Jansen 2006, p. 173; Jansen 2004, p. 70.
Estate of Nitschke t. Zweden, 27 september 2007, nr. 6301/05, par. 45. Vgl. ook: De Waard 1987, p. 373-375.
Zie ook in deze zin de noot van Schleossels bij Hirvisaari, onder punt 3. Schleossels wijst er ook op de informatie- en legitimatiefunctie voorop lijkt te staan voor het EHRM.
Tatashvili, par. 58.
De Waard legt tussen deze legitimatiefunctie naar de gemeenschap van rechtsgenoten en het openbaarheidsbeginsel ook een uitdrukkelijk verband, De Waard 1987, p. 372.
Van der Heijden 1984, p. 49.
Kuijer 2004, p. 167.
De Waard 1987, p. 372. Zie ook de uitspraak van het EHRM in de zaak Estate of Nitschke.
Zie bijvoorbeeld: CRvB 11 december 2003, JB 2004/88 m.nt. AMLJ; AbRvS 22 mei 2002, AB 2002/247 m.nt. Sew; AbRvS 17 oktober 2001, AB 2002/108 m.nt. Sew.
CRvB 8 januari 2009, LJN BH1537; CRvB 6 mei 2008, AB 2008/243 m.nt. H.E. Briking; AbRvS 22 mei 2007, AB 2008/72 m.nt. O.J.D.M.L. Janssen; AbRvS 21 mei 2007, AB 2007/194 m.nt. Sew; JB 2007/134 m.nt. DWMW. Eerder oordeelde de Afdeling nog dat een motivering voor het afzien van het horen niet in de uitspraak behoefde te worden vermeld: AbRvS 26 januari 2005, AB 2005/374 m.nt. R.H. de Bock. Die motivering behoort de beslissing van de rechtbank ook te kunnen dragen. In CRvB 8 november 2000, AB 2001/41 m.nt. HBr was dat niet het geval. Indien in het proces-verbaal van de zitting is vermeld waarom van het horen van de getuigen is afgezien en partijen de gelegenheid hebben gekregen om, na toezending ervan, op het proces-verbaal te reageren, wordt de schending van het motiveringsbeginsel overigens voldoende hersteld geacht, zie: AbRvS 2 augustus 2006, AB 2008/65 m.nt. N. Verheij.
Zie over deze bevoegdheid in het algemeen en de rol van deskundigen in het bestuursprocesrecht: L.M. Koenraad, 'Deskundig rechtspreken: Beschouwingen over de plaats van deskundigen in het bestuursprocesrecht', .7B plus2007, p. 202-223.
Jansen 2006, p. 175.
Het motiveringsbeginsel voor de rechter
Het motiveringsbeginsel is, evenals de openbaarheidseisen, in de Grondwet neergelegd. In artikel 121 Grondwet is bepaald dat vonnissen de gronden behoren te bevatten waarop zij rusten. Door verschillende auteurs is erop gewezen dat de term vonnissen problematisch is, omdat uitspraken van verschillende rechterlijke colleges, zoals de Hoge Raad of verschillende bestuursrechters, doorgaans niet als vonnissen worden aangemerkt.1 Daardoor kan onduidelijkheid bestaan omtrent de reikwijdte van de grondwettelijke motiveringsplicht en in het bijzonder de vraag of de bestuursrechterlijke uitspraken door die eis bestreken worden. Strikt genomen is dat niet zo.2 Aangenomen wordt echter dat de grondwettelijke motiveringsplicht zich ook uitstrekt tot de uitspraken van de bestuursrechterlijke instanties.3 Zoals Jansen opmerkt, komt een beroep op de Grondwetsbepaling bij de (bestuurs)rechter nauwelijks voor.4 De bepaling lijkt een sluimerend bestaan te leiden. In de Awb is daarnaast ook een motiveringsplicht voor de bestuursrechter tot uitdrukking gebracht in artikel 8:77 sub b Awb. Daarin is bepaald dat de uitspraak de gronden van de beslissing behoort te vermelden en daarnaast is in het tweede lid van die bepaling neergelegd dat de rechter bij gegrondverklaring van het beroep verplicht is aan te geven welk rechtsregel of rechtsbeginsel hij geschonden acht. Een beroep op deze bepaling komt vaker voor in de jurisprudentie.5 Ook ben ik een enkele uitspraak tegengekomen waarin de bestuursrechter, indien er geen beroep op deze bepaling wordt gedaan, ambtshalve nagaat of wel voldaan is aan artikel 8:77.6 Dat zou betekenen dat deze bepaling moet worden aangemerkt als een bepaling van openbare orde waaraan ambtshalve moet worden getoetst.7 Geheel eenduidig is de rechtspraak van de bestuursrechter op dit punt echter niet, maar ambtshalve toetsing of de motiveringsplicht door de rechter is nageleefd, zou het fundamentele karakter van de motiveringsplicht en het belang daarvan onderstrepen.8
Naast de nationale grondslagen voor het motiveringsbeginsel als beginsel voor behoorlijke rechtspleging volgt uiteraard ook uit artikel 6 EVRM en het recht op een eerlijke behandeling van de zaak dat de nationale rechter zijn uitspraken dient te motiveren.9 Hoewel een dergelijke verplichting niet genoemd wordt in de tekst van die bepaling zelf, heeft het EHRM die verplichting afgeleid uit het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, zoals ook blijkt in de uitspraak Hirvisaari t. Finland:
”The Court reiterates that, according to its established case-law reflecting a principle linked to the proper administration of justice, judgments of courts and tribunals should adequately state the reasons on which they are based. The extent to which this duty to give reasons applies may vary according to the nature of the decision and must be determined in the light of the circumstances of the case. Although Article 6 § 1 obliges courts to give reasons for their decisions, it cannot be understood as requiring a detailed answer to every argument.''10
Het motiveringsbeginsel als beginsel van behoorlijke rechtspleging is niet omstreden in de doctrine.11 Er wordt een onderscheid gemaakt tussen het formele en materiële motiveringsbeginsel. Het formele beginsel houdt in dat een motivering gegeven moet worden voor de beslissing van de rechter (kenbaarheid van de motivering). Het materiële beginsel heeft betrekking op de kwaliteit van de motivering, de deugdelijkheid ervan derhalve. De Grondwet en de Awb geven slechts aan dat de gronden waarop de uitspraak berust gegeven moeten worden, maar algemeen aanvaard is dat de motivering van de rechter deugdelijk moet zijn.12 Ook het EHRM eist een deugdelijke, draagkrachtige motivering, zoals blijkt uit de hiervoor aangehaalde passage waarin het overweegt dat:
‘judgments of courts and tribunals should adequately [curs. DW] state the reasons on which they are based.'13
Wat onder een deugdelijke motivering verstaan moet worden, kan van geval tot geval verschillen. Het EHRM heeft aangegeven dat de motiveringseisen die gesteld worden aan de rechterlijke uitspraak kunnen variëren afhankelijk van de aard van de beslissing.14 Enkele algemene eisen kunnen echter wel uit de rechtspraak gedestilleerd worden. In elk geval vloeit uit het beginsel noch uit artikel 6 EVRM voort, zoals ook blijkt uit de hiervoor aangehaalde passage in de uitspraak Hirvisaari, dat de rechter op elke stelling van een partij behoort te reageren in de uitspraak.15 De belangrijkste stellingen en bewijsmiddelen van partijen en het oordeel van de rechter daaromtrent alsmede omtrent de essentiële rechtsvragen behoren echter in de uitspraak tot uitdrukking te komen.16De motivering van de rechter in eerste aanleg moet zodanig zijn dat partijen op effectieve wijze gebruik kunnen maken van hun recht om hoger beroep in te stellen en behoort derhalve aanknopingspunten voor hoger beroep te bieden.17 In hoger beroep daarentegen mag het appèlcollege volstaan met verwijzing naar en overneming van de gronden van de uitspraak in eerste aanleg.18 Is de motivering door de eerdere instantie echter innerlijk tegenstrijdig of anderszins gebrekkig, dan volstaat overname van die motivering, zeker indien geklaagd is over de gebrekkige motivering, niet.19 Indien de rechter een uitspraak moet doen met toepassing van vage begrippen of vage normen, waarbij een waardering van de feiten of feitelijke kwesties moet plaatsvinden, behoort de motivering gedetailleerd te zijn.20 Al met al houdt de motiveringsplicht voor de rechter op grond van de jurisprudentie van EHRM in dat de uitspraak uitdrukking moet geven aan de essentiële argumenten en bewijsmiddelen van partijen, de beoordeling daarvan door de rechter én de redenen voor zijn beslissing; dat geldt in elk geval voor één instantie in de procedure, of dat nu in eerste aanleg of in hoger beroep is, aangezien het EHRM de eerlijkheid van de procedure in zijn geheel beoordeelt. De doctrine en bestuursrechters sluiten hierbij, ook bij de interpretatie van de nationale (wettelijke) motiveringseisen, grotendeels aan.21 De bestuursrechter heeft aangegeven dat niet op ieder argument van partijen afzonderlijk behoeft te worden ingegaan in de uitspraak22, maar tevens dat het ingaan op geen enkele beroepsgrond in strijd is met de op de rechter (ingevolge artikel 8:77 Awb) rustende motiveringsplicht.23 Kritiek is er in de literatuur vooral op de soms in hoger beroep wel erg bondige motiveringen waarbij verwijzing naar het oordeel van de rechtbank plaatsvindt.24 Zoals Damen ook terecht doet, kan de vraag gesteld worden of door de bestuursrechter, gelet op de functies van het motiveringsbeginsel, in hoger beroep niet een hogere maatstaf dan die van het EHRM moet worden aangelegd, aangezien de uit artikel 6 EVRM voortvloeiende eisen minimumnormen betreffen.25
Tot slot zijn er niet alleen gevallen waarin een ontbreken van of een gebrekkige motivering zich voordoet, soms kan er ook sprake zijn van een overdaad aan motivering. In de zaak Sanchez Cardenas t. Noorwegen komt het EHRM weliswaar niet tot een schending van artikel 6 eerste lid EVRM, maar overweegt het:
”50. The Court sees no reason to doubt that the High Court's judgment provided reasons that must be deemed sufficiently detailed for its conclusion that the deprivation of access was on balance justified by the children' s interest.
51. However, the problem in the present instance is rather one of excess of reasoning [curs. DW] on a matter that was of a particularly sensitive nature and of paramount importance for all the persons concemed."26
De nationale rechter had in zijn bestreden uitspraak inzake de omgangsrechten van de klager met zijn zoon gerefereerd aan beschuldigingen van seksueel misbruik door klager van zijn zoon (waarvoor klager niet strafrechtelijk veroordeeld was) maar had uiteindelijk geen oordeel hierover gegeven of het bewijs in dat kader gewaardeerd of onderzocht. Klager werd wél de omgang met zijn zoon ontzegd. De passage in de uitspraak inzake het seksueel misbruik betrof echter een obiter dictum. Klager meende derhalve dat deze passage hem geschaad had en dat de rechter ofwel er zelf onderzoek naar had moeten doen ofwel er niet naar had moeten verwijzen. Omdat het EHRM de klacht niet nader heeft onderzocht, is niet duidelijk of overwegingen ten overvloede of overwegingen die niet direct doorslaggevend zijn voor de uitkomst in sommige gevallen inderdaad 'too much' kunnen zijn en daarmee de deugdelijkheid van de motivering kunnen aantasten.27
Ratio en functie van het motiveringsbeginsel
De motiveringsplicht voor rechters dient verschillende doelen en heeft derhalve verschillende functies. In het algemeen worden de volgende functies onderscheiden: kwaliteitsbevordering, een legitimatiefunctie, een controlefunctie en een functie in het kader van de rechtsvorming.28 Met kwaliteitsbevordering wordt bedoeld dat de motiveringsplicht het geschilbeslechtende orgaan ertoe dwingt om op grond van deugdelijke argumenten en een deugdelijke redenering tot zijn beslissing te komen; de kwaliteit van de oordeelsvorming wordt erdoor verhoogd.29 Daarnaast heeft de motivering een legitimatiefunctie. De motivering verschaft de betrokkenen inzicht in de redenen voor de beslissing en deze beslissing kan daardoor eerder geaccepteerd worden.30 Voorts vormt de motivering het aanknopingspunt voor het verweer tegen die uitspraak bij het instellen van rechtsmiddelen.31 De controlefunctie is van belang, omdat de rechter door middel van zijn motivering verantwoording aflegt over de uitspraak. Omdat de rechter onafhankelijk behoort te zijn en geen verantwoording over zijn uitspraken aan de beide andere staatsmachten behoort af te leggen, is het stellen van motiveringsplichten van belang om inzicht te geven in de redenen voor de uitspraak aan partijen, publiek en hogere instanties.32 Alleen door middel van de motivering kan de uitspraak immers daadwerkelijk gecontroleerd worden. De functie in het kader van de rechtsvorming houdt in dat de motivering en het daarin besloten liggende oordeel van belang kan zijn voor andere gevallen en daarmee bijdraagt aan de rechtsontwikkeling.33
Evenals bij de hiervoor behandelde beginselen van behoorlijke rechtspleging, kunnen de functies van het motiveringsbeginsel herleid worden tot twee hoofdfuncties: bescherming van de belangen van partijen in de procedure alsmede waarborging van algemene belangen, zoals het vertrouwen in rechtspraak of de rechtsontwikkeling en rechtsvorming.34 Die algemene belangen zijn echter ook in het kader van het motiveringsbeginsel mijns inziens (zeker in eerste aanleg) ondergeschikt aan het belang van partijen in het concrete rechtsgeschil en hun verdedigingsrechten. In gevallen waarin bijvoorbeeld geen rechtsmiddel openstaat of wordt ingesteld en zonder de ondersteuning van de openbaarmaking van de (motivering van de) uitspraak, blijven toch primair de functies die zien op de bescherming van belangen van partijen over. Voor het EHRM lijkt eveneens vooral centraal te staan dat de motivering aanknopingspunten biedt voor partijen om in hoger beroep te gaan en dat daarmee tot uitdrukking wordt gebracht dat zij ook daadwerkelijk gehoord zijn. Het EHRM benoemt die functie in elk geval expliciet als functie van een gemotiveerde uitspraak in Estate of Nitschke t. Zweden. Daarin overweegt het:
”The Court wishes to emphasise that the function of a reasoned judgment is to afford the parties the possibility of an effective appeal and to show to the parties that they have been heard (see, Suominen v. Finland, no. 37801/97, § 37,1 July 2003)."35
De andere functies van het motiveringsbeginsel legt het EHRM niet altijd zo expliciet ten grondslag aan de motiveringseisen die voortvloeien uit artikel 6 EVRM.36 In de uitspraak Tatashvili t. Rusland worden de hiervoor genoemde functies wel weer uitdrukkelijk genoemd.37
Samenhang met enkele andere beginselen van behoorlijke rechtspleging
Er is, gelet op deze functies van het motiveringsbeginsel, ook een duidelijke samenhang met de eis van een openbare uitspraak, het verdedigingsbeginsel en zelfs met het onpartij digheidsbeginsel. Zonder de (externe) openbaarheid van de uitspraak is immers de motivering van het rechterlijk oordeel niet bij het publiek kenbaar, en daarmee ook niet controleerbaar (zie hierover paragraaf 4.3.6).38 Daarnaast blijkt uit de motivering van de uitspraak of partijen ook daadwerkelijk gehoord zijn en hoe de rechter de stellingen en argumenten van partijen heeft gewogen.39 Daarmee is het ook een waarborg tegen willekeur en tegelijkertijd een waarborg voor de vereiste onpartijdigheid van de rechter.40 Uit de motivering kan blijken dat de rechter recht heeft gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor alsmede aan het onpartijdigheidsbeginsel. De band met het verdedigingsbeginsel bestaat er voorts uit dat de motivering van de uitspraak het aanknopingspunt vormt voor het instellen van hoger beroep en het voeren van een verdediging tegen die uitspraak41; die samenhang strekt zich derhalve uit naar de fase die volgt op de rechterlijke uitspraak in eerste aanleg. Het is van belang dat de desbetreffende rechterlijke instantie die de uitspraak doet, zich daarvan bewust is.
Procesrechtelijke eisen voor de uitspraak van de bestuursrechter
Omdat de motivering van een uitspraak per definitie toegesneden moet zijn op de omstandigheden van het geval en derhalve bestaat uit maatwerk, is het lastig algemene inrichtingseisen in de wet op te nemen waaruit blijkt wanneer sprake is van een deugdelijke motivering. Wel zijn in de Awb een algemene motiveringsplicht en eisen inzake onderdelen die hoe dan ook in de uitspraak behoren terug te komen opgenomen. De uitspraak van de bestuursrechter dient bijvoorbeeld de gronden van de beslissing en de beslissing zelf te bevatten op grond van artikel 8:77, eerste lid, onder b en c Awb. Tevens dient de uitspraak te vermelden welke geschreven of ongeschreven rechtsregel of welk algemeen rechtsbeginsel geschonden wordt geacht bij gegrondverklaring van het beroep. Indien de uitspraak mondeling wordt uitgesproken, behoort de rechter eveneens het dictum en de gronden voor de beslissing te vermelden, zo volgt uit artikel 8:67, tweede lid, Awb. Voor het overige bevat de Awb geen concrete motiveringseisen voor de rechter. De bestuursrechter heeft, zoals eerder aangegeven, conform de jurisprudentie van het EHRM bepaald dat uit artikel 8:69 noch uit artikel 8:77, eerste lid, van de Awb voortvloeit dat de rechter in zijn uitspraak op alle door een belanghebbende aangevoerde argumenten afzonderlijk behoort in te gaan.42 In de jurisprudentie is verder nog uitgemaakt dat bepaalde processuele beslissingen van de rechter, waarbij deze gebruik maakt van hem toegekende bevoegdheden in de Awb, gemotiveerd dienen te worden. Als grondslag daarvoor lijkt het ongeschreven motiveringsbeginsel te fungeren. Zo behoort de rechter te motiveren in de uitspraak waarom bepaalde door (een der) partijen meegebrachte of opgeroepen getuigen of deskundigen niet zijn gehoord.43 Mij lijkt, in het verlengde daarvan, dat voor alle processuele beslissingen van de rechter, waarbij hij een discretionaire bevoegdheid hanteert die van belang kan zijn voor de uitkomst van de procedure, een dergelijke motiveringsplicht geldt. Te denken valt aan de beslissing om op grond van artikel 8:47 Awb al dan niet een deskundige in te schakelen.44 Tot slot wijst Jansen er nog op dat voor bijzondere (neven-)dicta, zoals het in stand laten van de rechtsgevolgen ex artikel 8:72, derde lid, Awb of het zelf in de zaak voorzien ex artikel 8:72, vierde lid, Awb, eveneens een motiveringsverplichting geldt.45 De rechter moet aangeven waarom van de bevoegdheid daartoe gebruik wordt gemaakt.