Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/10.3.1
10.3.1 De verschillen tussen de ‘vestigings’-vereisten van zekerheidseigendom en het stille pandrecht
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS418335:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. §9.3.8 en §9.5.
HR 22 mei 1953, NJ 1954/189 (Sio/De Jong) m.nt. J. Drion. Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat in het geval van een dubbele levering constituto possessorio degene aan wie het eerste constituto possessorio was geleverd, eigendom van de zaak verkreeg.
HR 13 maart 1959, NJ 1959/579 (Van Vliet q.q./AB).
Maar in ieder geval vóór faillissement van de schuldenaar. Zie: HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 (WUH/Emmerig q.q.) m.nt. W.C.L. van der Grinten.
Vgl. HR 25 maart 1988, NJ 1989/200 (Staal BankiersAmbags q.q.) m.nt. W.M. Kleijn. Zie voor het onderscheid tussen bestaande en toekomstige vorderingen: Rongen 2012, nr. 864 e.v.
Vgl. Stein 1959, p. 185.
HR 16 januari 1987, NJ 1987/528 (Steinz q.q./AM-RO) m.nt. W.C.L. van der Grinten. Vgl. HR 29 juni 2001, NJ 2001/662 (Meijs q.q./Bank of Tokyo) m.nt. W.M. Kleijn.
HR 30 november 1956, NJ 1957/81 (Lieben/Lotisico). Vgl. Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/166.
Zie: §9.4.7.3.
Zie: §9.3.7.1.
De overdracht geschiedde pas op het moment dat de schuldenaar beschikkingsbevoegd was.
Zie: §9.3.2.2 en §9.3.5.2.
Vgl. Reehuis 1987, nr. 306.
Art. 3:239 lid 1 BW.
De keuze van de wetgever van het BW van 1992 voor het stille pandrecht in plaats van zekerheidseigendom was niet ingegeven door een afkeer van generale zekerheid.1 In het Sio-arrest2 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de levering (bij voorbaat) een voldoende bepaald voorwerp moest hebben en in het Van Vliet-arrest3 van 1959 oordeelde de Hoge Raad dat de aanduiding ‘alle bedrijfs- en handelsvoorraden die de schuldenaar ten tijde van de overdracht had en in de toekomst zou verkrijgen’ voldoende was bepaald. De zekerheidsoverdracht had vaak een generaal karakter en (de regeling van) het stille pandrecht van het nieuwe BW moest ook voorzien in de mogelijkheid voor een schuldenaar om al zijn bestaande en toekomstige zaken en vorderingen te verpanden. Het BW van 1992 stelt dan ook geen beperkingen aan de vestiging van een pandrecht bij voorbaat op toekomstige roerende zaken.4
Vóór de invoering van het BW kon een zekerheidsgever al zijn bestaande en toekomstige vorderingen tot zekerheid cederen, maar dit leidde slechts tot een overdracht van vorderingen die bestonden of later5 zouden ontstaan en voortvloeiden uit een ten tijde van de cessie-akte bestaande rechtsverhouding.6 Deze beperking op de levering bij voorbaat wordt ook wel het grondslagvereiste genoemd. Het vereiste vindt zijn oorsprong in het Fijn van Draat-arrest waarin de Hoge Raad oordeelde dat een zekerheidsgever slechts bestaande vorderingen kon overdragen, maar tevens overwoog dat vorderingen die rechtstreeks voortvloeiden uit reeds bestaande rechtsverhoudingen als bestaande vorderingen werden aangemerkt. De Hoge Raad erkende weliswaar in 1980 dat een zekerheidsgever toekomstige vorderingen bij voorbaat kon leveren, maar hield vast aan het grondslagvereiste. Om de beperking van het grondslagvereiste te ontgaan, kwamen partijen in de praktijk overeen dat de schuldenaar de verplichting had om al zijn toekomstige vorderingen te cederen door het periodiek opmaken van zogenaamde cessielijsten en de overhandiging daarvan aan de schuldeiser.7 De overeenkomst waarin partijen deze verplichting opnamen, werd ook wel stamcessie-overeenkomst genoemd.8 Voor een geldige cessie hoefde de akte niet meer te bevatten dan een verklaring van de schuldenaar dat hij bepaalde vorderingen cedeerde. De schuldeiser kon de verklaring stilzwijgend aanvaarden.9
Het BW kent om eerder genoemde redenen nog steeds het grondslagvereiste.10 Hoewel de Minister en parlementariërs er telkens in het totstandkomingsproces van het BW op hebben gewezen dat de regeling van het stille pandrecht bestaande financieringspatronen moet faciliteren,11 vestigt een schuldenaar het stille pandrecht op een andere manier dan hij voorheen goederen tot zekerheid in eigendom overdroeg. Voltooide hij eerst de zekerheidsoverdracht van roerende zaken door een (vormvrije) levering constituto possessorio, artikel 3:237 lid 1 BW eist voor de vestiging van een stil pandrecht dat hij een authentieke of geregistreerde onderhandse akte laat opstellen.12 Voltooide hij eerst de zekerheidscessie van vorderingen door het opmaken en overhandigen van een akte aan de schuldeiser, artikel 3:239 lid 1 eist dat hij voor de vestiging van een stil pandrecht een authentieke of geregistreerde onderhandse akte laat opstellen. Het doel van registratie is het voorkomen van antedatering.13
De registratie van een onderhandse akte betekent voor de vestiging van een pandrecht op roerende zaken nauwelijks een lastenverzwaring ten opzichte van de zekerheidsoverdracht.14 Het pandrecht komt namelijk automatisch te rusten op ten tijde van de vestiging bij voorbaat toekomstige zaken, zodra de schuldenaar beschikkingsbevoegd wordt. Voor de vestiging van een pandrecht op vorderingen betekent de registratie echter een lastenverzwaring. Aangezien een schuldenaar toekomstige vorderingen uit toekomstige rechtsverhoudingen niet bij voorbaat stil kan verpanden, blijft het noodzakelijk om telkens pandakten op te maken en te registreren om ook deze toekomstige vorderingen bij voorbaat met een pandrecht te bezwaren.15