Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/5.3.1
3.1 De Europese ondernemingsovereenkomst
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS391221:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor een overzicht van de in de Europese ondernemingsovereenkomst meest voorkomende bepalingen Lamers 2007, p. 164-177.
Gerlach en Van Broeckhuijsen 2012.
Anders: Sanders 1995, die destijds meende dat uit het gegeven dat de Europese ondernemingsraad wordt geraadpleegd over maatregelen die van invloed zijn op de belangen van werknemers, volgde dat het besluit tot die maatregelen dan al genomen was.
Zie over deze zaak uitgebreid Dorssemont en Jaspers 1999.
Artikel 19 lid 4 WEOR.
Artikel 19 lid 2 WEOR, aangepast na wijziging van de richtlijn.
Kamerstukken II 1995-1996, 24 641, nr. 3, p. 36.
Kamerstukken I 2011-2012, 32 705, B, p. 1.
Hoe partijen het proces inrichten, kunnen zij in de Europese ondernemingsovereenkomst zelf regelen, mits voldaan wordt aan de voorschriften die in de zojuist aangehaalde definities worden genoemd. Dit volgt uit het contractsmodel, dat de essentie vormt van de regeling over de Europese ondernemingsraad: partijen hebben een grote mate van vrijheid om hun samenwerking zelf in te richten. De onderhandelingen voorafgaand aan en de formulering van de bepalingen in de Europese ondernemingsovereenkomst zijn dus voor het functioneren van de Europese ondernemingsraad van cruciaal belang.1 Als ze niet (tijdig) tot resultaat leiden, wordt teruggevallen op de subsidiaire voorschriften. Het komt in de praktijk weinig voor dat partijen genoodzaakt zijn deze voorschriften toe te passen, maar ze spelen een belangrijke rol, omdat ze vaak leidraad zijn bij de (her)onderhandelingen over de Europese ondernemingsovereenkomst. 2 Sinds de wijziging van de richtlijn verplicht artikel 4 lid 8 WEOR de Europese ondernemingsraad er overigens toe om de inhoud van de informatie- en raadplegingsprocedures mede te delen aan de nationale werknemersvertegenwoordigers of, indien die er niet zijn, aan de werknemers zelf. Bij dit achterbanoverleg moet wel rekening worden gehouden met eventueel opgelegde geheimhouding.3
Het moment van informatie en raadpleging dient zodanig te zijn dat dit een nuttig effect kan hebben en van invloed kan zijn op de besluitvorming. Volgens Gerlach en Van Broeckhuijsen4 is dit moment vergelijkbaar met het criterium van wezenlijke invloed van artikel 25 WOR. Ik ben het met hen eens dat informatie en raadpleging moeten plaatsvinden in de fase dat er nog sprake is van een voorgenomen besluit en niet slechts van de uitvoering van reeds genomen besluiten.5 In de zaak Renault besliste de Franse rechter in 1997 dat de sociale dialoog vooraf dient te gaan aan het besluit tot sluiting van een vestiging met aanzienlijke gevolgen voor de belangen van werknemers.6 Dit volgt mede uit de tekst van de definitie van het begrip ‘raadpleging’, waarin is bepaald dat werknemers over de “voorgestelde maatregelen” binnen een redelijke termijn advies moeten kunnen uitbrengen, waarmee rekening kan worden genomen “bij het nemen van het besluit”. Het gaat dus om voorgestelde maatregelen, die zich in een stadium bevinden waarin ze nog kunnen worden aangepast aan de hand van het advies van de Europese ondernemingsraad.
Volgens de subsidiaire voorschriften vallen de informatie- en raadplegingsverplichtingen in twee delen uiteen: een reguliere en een bijzondere verplichting tot consultatie. De reguliere informatieverstrekking aan de Europese ondernemingsraad betreft in ieder geval: (1) de structuur, de economische en financiële situatie, de vermoedelijke ontwikkeling van de activiteiten, de productie en de afzet van de communautaire onderneming of groep; en (2) de stand en de vermoedelijke ontwikkeling van de werkgelegenheid, de investeringen, wezenlijke veranderingen in de organisatie, de invoering van nieuwe werkmethoden of productieprocessen, de zorg voor het milieu, fusie, of inkrimping van de ondernemingen, vestigingen of belangrijke onderdelen daarvan.7 Het hoofdbestuur en de Europese ondernemingsraad komen voorts ten minste één maal per jaar in vergadering bijeen. In de vergadering wordt de raad in een door het hoofdbestuur opgesteld schriftelijk rapport geïnformeerd en geraadpleegd over de ontwikkeling van de activiteiten en de vooruitzichten van de communautaire onderneming of groep.8
In bijzondere omstandigheden gelden aanvullende consultatieverplichtingen. Het hoofdbestuur dient de Europese ondernemingsraad of het beperkte comité zo spoedig mogelijk in te lichten over alle bijzondere omstandigheden en voorgenomen besluiten die aanzienlijke gevolgen hebben voor de belangen van werknemers, in het bijzonder over verplaatsing of sluiting van ondernemingen of collectief ontslag.9 De raadpleging van de Europese ondernemingsraad verloopt op zodanige wijze dat deze met het hoofdbestuur of een ander passender bestuursniveau binnen de communautaire onderneming of groep met een eigen beslissingsbevoegdheid over de te behandelen onderwerpen bijeen kan komen en een met redenen omkleed antwoord op zijn adviezen kan krijgen.10
De wet gebruikt hier overigens het woord ‘advies’, net als in de definitie van ‘raadpleging’ onder artikel 1 lid 4 onder h WEOR. Dit advies kan niet worden vergeleken met het advies van de ondernemingsraad in artikel 25 WOR. Dit betekent dat het besluit – ondanks een negatief advies van de Europese ondernemingsraad – kan worden genomen zonder dat een rechter de over en weer aangevoerde argumenten kan toetsen.11 In de Europese ondernemingsovereenkomst kan worden geregeld op welke wijze het hoofdbestuur gehouden is met het advies van de Europese ondernemingsraad rekening te houden, maar in zijn algemeenheid geldt dat het hoofdbestuur niet verplicht is om inhoudelijk en met redenen omkleed te reageren op een uitgebracht advies van de Europese ondernemingsraad.12
Voor informatie en raadpleging is vereist dat het om grensoverschrijdende aangelegenheden gaat, dat wil zeggen kwesties die voor de gehele communautaire onderneming of groep van belang zijn, of voor ten minste twee ondernemingen of vestigingen daarvan in twee verschillende betrokken staten.13 In de parlementaire geschiedenis valt te lezen dat ook een aangelegenheid waarbij slechts één lidstaat betrokken is grensoverschrijdend kan zijn en dus onder de bevoegdheid van de Europese ondernemingsraad kan vallen. Een voorwaarde daarbij is dat die aangelegenheid voor de gehele onderneming of groep van belang is. Wanneer bijvoorbeeld het sluiten van een bedrijfsonderdeel in één lidstaat gevolgen heeft voor relatief veel Europese werknemers, zal dit een grensoverschrijdende aangelegenheid zijn. Het aantal lidstaten dat door het strategisch besluit wordt geraakt is dus niet van doorslaggevend belang.14